EssayDe kracht van herhaling

Nu we anders contact hebben, brengt dat ons dichter bij elkaar?

Beeld Zeloot

Mensen hebben anders contact nu. Brengen nieuwe technieken ze dichter bij elkaar, vraagt Sander Pleij zich af. Om tot de conclusie te komen dat het niet het nieuwe is, maar juist de herhaling die iets wezenlijks toevoegt.

Dorien kwam zo naar het pleintje, zei haar man. Ze was eerst nog even bij een uitvaart.

‘Nu? Waar?’

‘Thuis, het is een virtuéle uitvaart.’

Dorien had in de keuken een glas wijn ingeschonken en was ingelogd op de website van de uitvaartondernemer.

Daar kwam ze al aangelopen, in een bont gekleurd pak en van drie meter afstand vertelde ze hoe het was geweest.

‘Ja, heel mooi, en gek: ik moest gewoon huilen.’

Voor het begon had ze een appgroep aangemaakt met vriendinnen, onder wie ook de dochter van de overledene. Die keek naast de kist natuurlijk niet op haar telefoon, maar na afloop zou zij zien hoe haar vriendinnen hadden meegeleefd: wat zie je er mooi uit, wat sprak je mooi – lieve, troostende woorden.

‘Heel gek’, zei Dorien, ‘maar het voelde ontzettend… ja: intiem.’

Ik had drie maanden geleden toch anders opgekeken als Dorien had gezegd dat ze niet naar een uitvaart toeging maar die wel op haar laptop keek, append met een stel vriendinnen en een glaasje wijn erbij. Had ze dat ook nog intiem genoemd, dan had ik haar een decadente schermverslaafde gevonden.

Dorien is niet de enige, meer mensen vertellen dezer dagen over nieuwe ervaringen en onverwachte gevoelens. Gouverneur Cuomo van New York deelde met het publiek hoe anders het contact verloopt met zijn in quarantaine verblijvende dochter. De twee hadden betere gesprekken dan ooit. ‘We hebben over dingen gesproken’, zei Cuomo, ‘waar we eerder geen tijd voor hadden… of waar we de moed en de kracht niet voor hadden – over gevoelens die ik had, over fouten die ik heb gemaakt en waarover ik met haar wilde praten en mijn spijt kon uiten.’

Daar heeft papa dus een ramp voor nodig, kan je cynisch stellen, en touché. Zo kan de cynicus ook als altijd achterover leunen en bedenken dat aan de mens nooit iets wezenlijks verandert. Die is naakt geboren en blijft ook met kleren aan hulpeloos ronddwalen in een verwarrend heelal, alle nieuwe communicatiemogelijkheden ten spijt.

En toch, en toch… mensen hébben anders contact. Nu.

Ervaart de mens de wereld anders door de schermen? Ik bel twintiger Kay. Hij vertelt over zijn vriend Samuel. Die helpt zijn moeder een app te maken, zodat zij haar patiënten EMDR-therapie kan geven. Kay constateert dat de boomers nu eindelijk het internet ten volle omarmen – inclusief het rondsturen van memes: gek wordt Kay van de stomme filmpjes die zijn moeder hem steeds doorstuurt.

Veertiger Avinash dan. Die appt hoe gezellig hij het thuis heeft. Hij is alleen, maar via een beeldscherm luncht hij met de tante, het nichtje en het neefje die hij normaal minder ziet. Zijn vriendin woont in een ander huis, maar ’s avonds zijn ze samen als in een gedicht van Hans Lodeizen (sorry, even uit dat gedicht citeren: Ik woon/ in een ander huis; soms/ komen we elkander tegen/ ik slaap altijd zonder jou/ en wij zijn altijd samen). Met een VR-bril op spelen Avinash en zijn vriendin dan in een virtuele ruimte een bordje Catan en praten bij. Het voelt als samenzijn, maar anders. Zijn vriendin voelt zich telkens even akelig wanneer ze de bril weer afzet.

Is het contact tussen mensen in deze crisis anders en verandert dat iets aan de menselijke ervaring? Antropoloog Agustín Fuentes zei tegen The New Yorker op een mooie manier ja en nee. Volgens Fuentes is verbinding met anderen essentieel voor de mens en deze quarantaine maakt dat mensen daarvoor andere manieren moeten zoeken. Gelukkig is de mens buitengewoon creatief. Altijd kon die overleven door zich aan te passen en dat ziet Fuentes nu ook gebeuren: met enorme verbeeldingskracht worden manieren verzonnen om in quarantaine toch verbinding te maken.

Die schreeuwende behoefte aan verbondenheid uit zich in hartverwarmende taferelen. Beertjes voor het raam, klappen voor de mensen in de zorg, studenten die bingo omroepen voor het bejaardentehuis aan de overkant, mensen die boodschappen voor elkaar doen, het worden lichtpuntjes om juichend te delen: de buren vroegen of we met ze wilden wandelen! Mensen groeten elkaar zomaar op straat!

Lief, en misschien heb je dankzij diezelfde groetende persoon straks geen wc-papier om je kont mee af te vegen, maar wat zou het? Er wórdt nu extra geholpen, gegroet, contact gemaakt en bovenal is er die heroïsche strijd van de zorg- en hulpverleners. Als ik hoor van mijn twee bevriende ziekenhuisartsen, die nu voor hun patiënten vechten, stroomt het hart over van liefde, gratuit of niet. Ik kan ze niet eens bellen om te vragen naar de verandering, ze hebben geen minuut vrij.

Ook van anderen hoor ik dat het water hun aan de lippen staat. Eefje is dag en avond bezig om de kinderen uit haar groep 7 te helpen en van tasjes lesmateriaal te voorzien, want niet elk kind beschikt over een tablet of computer. Gezinshulpverlener Sarah vertelt dat het beeldbellen voor haar niet voldoende is. Ze maakt soms extra afspraken om te zien of kinderen niet in gevaar komen. Staat ze opeens met een half gezin in een park of speeltuin.

Samen met heil brengen de nieuwe technieken ook nieuwe problemen met zich mee. Ik heb gehoord dat psycholoog Neeltje haar patiënten nu via het beeldscherm behandelt en bel haar.

‘Ik heb partners die huilend inbreken in de therapiegesprekken’, zegt ze, ‘om te vertellen dat ze het niet meer volhouden met mijn cliënt.’

Zo krijgt ze informatie binnen die een psycholoog normaal in de behandelkamer niet ter ore komt.

‘Ik had een vader die tijdens het beeldbellen ruw z’n kind optilde en ermee wegliep. Hij schreeuwde dat hij ‘dat kind’ echt niet meer trok.’

Een paar dagen na Doriens virtuele bezoek aan de uitvaart maken we een wandeling.

‘Ik ben er naar nóg twee geweest’, roept ze me tegemoet (Dorien komt uit Noord-Brabant). Ze begint over de kosten: minder voor de familie die nu geen receptie hoeft te geven, meer voor de uitvaartondernemer die geen broodjes en drankjes meer verkoopt.

Er treedt gewenning op, merk ik, in de derde quarantaineweek, en het uitzicht op nog een hele maand april erbij maakt de toekomst wazig.

Dorien zegt alsof de maat al vol is: ‘Ik heb geen zin meer in sociaal gelul via een scherm, net had ik ook nog een virtuele borrel met mijn leesclub.’

Zal het zo gaan? Zullen we snel gaan wennen aan virtuele uitvaarten, samenzijn via een scherm en beeldbellen voor werk, gaan nieuwe vormen van contact tot dezelfde sleur als de oude behoren? Straks zijn minstens zeven weken isolatie (of keihard helpen) gepasseerd. Zal daarvan niks overblijven? Verandert deze ervaring niet iets ingrijpend in hoe mensen met elkaar en het leven omgaan? En bezinning dan? Die veel geuite en alom gevoelde behoefte dat dit alles iets goeds oplevert?

Ik zocht verder. Een gezaghebbend gedragswetenschapper beweerde dat al in enkele weken routines veranderen en nieuwe, blijvende gewoonten ontstaan. Als de pandemie over is, zei de optimist, zou iedereen begrijpen wat collectieve actie kan bereiken. Voorwaarts! Er zou een grotere gemeenschapszin zijn ontstaan.

Mij had hij niet om.

Ik wendde me tot oorlogsjournalist Minka Nijhuis. Zij heeft net een prikkelende roman over haar vak geschreven, Gekkenwerk, en ze vertelde me in een e-mail hoe ze situaties als deze het hoofd biedt. Juist in een oorlog is het soms lang wachten in onzekerheid. Sleur is dan onvermijdelijk. Maar die brengt ook verdieping, schreef ze. ‘Sowieso val je in zo’n isolement erg terug op jezelf. Je gaat kleine rituelen verzinnen. En ik ga in mijn geheugen op zoek naar gedichten en fragmenten uit boeken die ik uit mijn hoofd ken.’

Het kwartje valt wanneer ik naar een mij zeer goed bekende 14-jarige luister. Ik zie bij haar iets waar meer mensen mee worstelen én verder mee komen: de omgang met herhaling.

De 14-jarige vertelt dat ze met haar vriendengroep gek genoeg op afstand eigenlijk ‘closer’ wordt. Duizenden appjes worden uitgewisseld, party’s worden gehouden via diensten die iedereen tegelijk in beeld brengen. Is dat wat hen closer maakt? Die nieuwe technieken? Nee, zegt ze. Voor haar zijn die nieuwe technieken ook helemaal niet nieuw. Het is iets anders.

‘We zijn nu niet bij elkaar en we maken nu helemaal geen nieuwe dingen mee, samen.’

Ze doen minder gezamenlijke ervaringen op.

‘Nu ga je vanzelf meer dingen vragen aan elkaar. Over wat mensen leuk vinden en of ze interesses hebben en zo.’

Dat is het dus: herhaling leidt tot verdieping. De techniek helpt misschien even met nieuwe vormen van contact, maar ook die worden weer normaal en uiteindelijk is het niet de nieuwe techniek maar de herhaling die iets wezenlijks brengt.

Herhaling! Ik kon nu lukraak quotes van middeleeuwse monniken of Boeddha gaan zoeken, en er was vast wel een neurowetenschapper die bewijzen op hersenscans had gezien, maar ik wist iemand anders die bij uitstek iets interessants kan zeggen over de geestesgesteldheid van de mens van nu. Ik dacht, ik bel Fokke Obbema! Zou in de tientallen interviews die deze Volkskrant-redacteur afnam over de zin van het leven weleens het woord herhaling zijn gevallen? Hij reageerde gelukkig snel en antwoordde met een onomstotelijk ja.

‘Ja, ik heb zelfs uit de interviews geleerd dat wijsheid niet over te brengen is door één keer iets te zeggen, maar door de kracht van herhaling’, vertelde hij opgewekt door de (beeldloze) telefoon. Filosoof-cabaretier Tim Fransen had hem gesuggereerd dat wijsheid niet iets is om ineens in je op te nemen, maar dat wijsheid door oefening tot je moet komen. Obbema had dat patroon bevestigd gezien in hoe hij zelf leert: ‘Wie ik ook sprak, iedereen kwam op een of andere manier terug op de verhouding met anderen, of de natuur, het levende. Bij de veertigste herhaling daarvan, kwam die noodzaak van verbinding toch wel anders bij mij binnen. Ja, er is een kracht van herhaling.’

Voor even kon ik mijn zoektocht besluiten. Of je nu single bent, deel uitmaakt van een gezin of een vriendengroep, of je nu communiceert via beeldschermen of niet, het is de confrontatie met de herhaling die nu impact heeft. Nu de aandacht binnen vier muren minder versnipperd geraakt, grijpen mensen eerder terug naar waar ze eigenlijk niet klaar mee waren, naar waar ze niet over waren uitgedacht, naar wat ze gewoon nog eens willen zien, herbeleven en waar ze meer in willen ontdekken.

En zo wordt het dan eindelijk minder vanzelfsprekend dat nieuwe dingen beter of interessanter zijn. Het interessante komt niet alleen van het nieuwe bericht, het fonkelnieuwe product, idee of laatste nieuws. Nóg eens kijken, voelen, horen blijkt net zo interessant en zelfs interessanter te kunnen zijn.

Er is een grote, gemeenschappelijke oefening in herhaling gaande. Of de aldoende ontluikende gewoonten en routines blijvend zijn, weet ik niet.

Wel dat films, boeken, series, herinneringen, gesprekken, ménsen zelfs, die eerder zijn achtergelaten louter en alleen omdat er iets nieuws om de aandacht vroeg, deze weken worden teruggehaald en nog eens bekeken, beluisterd en bestudeerd. Het voelt als inhalen, even adem halen, de diepte ingaan. Ergens nog eens om geven, naar kijken en bevragen, nauwkeuriger, andermaal, het lijkt… in mijn hoofd zingt al dagen een liedje van Prince rond: There’s joy in repetition, there’s joy in repetition.

Dat lied gaat over liefde.

Sander Pleij is journalist en schrijver. Vorig jaar verscheen zijn roman Explicador (Lebowski), over het belang van schrijvers, kunstenaars en filosofen in een gedigitaliseerde wereld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden