Column Bericht uit Jakarta

Nu is het de beurt aan de Indonesiërs om de Nederlanders het zwijgen op te leggen

Pal voor mijn huis is een brandstapel gebouwd. Een dikke rookwolk duwt tegen de ramen, en binnen begint het naar brand te stinken. Ik storm naar buiten en met molenwiekende armen schreeuw ik dat dit niet kan! De brandstichter, een bouwvakker, kijkt me verbaasd aan. Leg zo’n man maar eens uit dat je geen afval moet verbranden. Niet zo lang geleden was er een gouverneur die de bewoners van de stad juist heeft aangeraden het afval zelf maar te verbranden. Een gouverneur! En dan sta ik daar ineens te schreeuwen.

Ik weet het. Ik had dat niet moeten doen, en dat wordt me heel snel en heel fijntjes duidelijk gemaakt door de oude meneer Mansur.

Meneer Mansur is een welopgevoede, goed geschoolde Indonesiër voor wie je vanzelf respect hebt als je hem tegenkomt. ‘U mag hier niet boos worden! U niet!’ zegt hij op een voor hem ongekend harde toon. Ik voel meteen wat hij bedoelt. ‘U’, dat ben ik natuurlijk, maar met mij ook alle buitenlanders. 350 jaar was het andersom, nu is het de beurt aan de Indonesiërs om de Nederlanders het zwijgen op te leggen.

Ik leer mijn lesje: ik ben hier maar te gast. Bedeesd maak ik mijn excuses.

Als journalist schrijf ik natuurlijk altijd wat ik moet schrijven, of Indonesië dat leuk vindt of niet. Dat is mijn heilige plicht. Maar in mijn directe omgeving heb ik geleerd mijn mond te houden.

De immigratiedienst verschaft mij elk jaar mijn verblijfsvergunning in een tergend proces, dat altijd te lang duurt. Dit jaar duurde dat proces plotseling veel langer dan anders. ‘Nieuwe procedure’, zei de man aan het loket met een glimlach. Wat er nieuw was, en hoe de procedure precies liep kon hij me niet vertellen. Uit zijn neerbuigende glimlach maakte ik op dat dit zijn fijnste moment van de dag moest zijn: dat hij mij kon wegsturen. Zelfs toen het voor de vijfde keer gebeurde, mocht ik niet boos worden. Dan zou het allemaal nog langer hebben geduurd. Dus ik hield me goed, en aan het eind heb ik hem zelfs vriendelijk bedankt.

Beeld shutterstock

Je denkt misschien dat dit erg is, maar eigenlijk is het veel erger. Niet alleen ik, maar iedereen in Indonesië moet zijn mond houden. Een vrouw die een smerig seksueel intimiderend telefoontje van haar baas op Facebook zet krijgt celstraf wegens ‘smaad’. Een moeder van twee kinderen die openlijk klaagt over een totaal verkeerde diagnose in een ziekenhuis? Ook de cel in wegens ‘smaad’. En dan is er de vrouw die durft te mopperen over het oorverdovend kabaal van de moskee: Indonesië’s grootste taboe. De vrouw is etnisch chinees en boeddhistisch. Zij mag dus niet klagen. Ze krijgt achttien maanden wegens ‘belediging van de islam’.

U mag niet boos worden.

Niemand mag dat, want niemand is goed genoeg of groot genoeg. Je bent ofwel te arm, of niet hooggeplaatst genoeg. Of je bent geen ‘echte’ Indonesiër (pribumi) maar bijvoorbeeld een Chinees. Of je bent geen moslim maar iets anders, of je bent het ergst van al: een buitenlander.

U mag niet boos worden? Ik kijk wel uit.

Michel Maas is Volkskrant-correspondent in Zuidoost-Azië. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.