Column Chris Oostdam

Nu het wat langer goed gaat, is het tijd er even tussenuit te gaan. Maar dat geeft best veel spanning

Wij hebben onze vakantie in februari moeten annuleren, toen ik zo onverwacht in het ziekenhuis belandde. Nu het al wat langer best goed met me gaat, en het vertrouwen groeit dat dat nog wel eventjes zo zal blijven, willen we er alsnog even uit. We hebben heel wat voor onze kiezen gehad, de afgelopen paar maanden, en hebben het wel verdiend, dachten we zo. We mogen de camper lenen van vrienden van ons, een prachtig, klassiek exemplaar van 25 jaar oud. Ik houd van kamperen: lekker ongedwongen en je bent de hele dag buiten. Een tent is op dit moment te veel gedoe, maar een camper lijkt ideaal. Je hebt alles bij je, kant-en-klaar voor het pakken, en je bedje is al gespreid.

Het is nog best puzzelen om een vrije periode te vinden tussen alle ziekenhuis- en privéafspraken in, rekening houdend met de plannen die onze vrienden hebben om zelf met de camper eropuit te trekken. Ik kies een niet te ambitieuze reisroute, met niet al te grote afstanden, naar Luxemburg en de Elzas. Ik krijg er steeds meer zin in. Het weer is ook prachtig, ongelooflijk warm voor de tijd van het jaar.

Al met al geeft het toch veel spanning, al herken ik die niet direct. Niet alleen de gebruikelijke vakantievoorbereidingsstress, maar ook onzekerheid over wat ik wel en niet aankan en hoe ik daarmee moet omgaan. Zoals op de derde dag, als na een lange, warme dag de uitgezochte camping in Straatsburg vol blijkt en we de reisplannen moeten omgooien. Een andere camping is moeilijk te vinden met een routeplanner op een telefoon die op de onmogelijkste momenten op zwart gaat en een routeplanner op een tablet die bijna leeg is en niet in de auto kan worden opgeladen. 

We komen laat en moe aan. Hoewel de keuken eigenlijk al dicht is, kunnen we dankzij de behulpzame campingeigenaren gelukkig nog net een hapje eten. Als we zijn teruggekeerd bij de camper en het licht het niet doet, naar later blijkt vanwege een stekker die niet goed in het stopcontact zit, barst ik in een hysterische huilbui uit. Alle stress, verdriet, boosheid, onzekerheid en frustratie van de afgelopen periode komen eruit; ik kan niet meer ophouden.

Ronald is ook moe en roept geërgerd: ‘Daar schieten we niets mee op, met dat gejank. Help liever even mee.’ Dat helpt niet. Ik ben totaal overstuur. Later zegt hij: ‘Dat ben ik niet van je gewend, dat je je hoofd zo gauw laat hangen als het even tegenzit.’ ‘Toen had ik nog geen kanker’, zeg ik venijnig, ‘en wist ik nog niet dat ik al zo gauw dood zou gaan.’ 

Het lucht op. Als ik wat gekalmeerd ben praten we. Hoe moeilijk het is om je grenzen aan te geven, om niet meer te kunnen wat je altijd moeiteloos deed en niet te weten hoe dat morgen zal zijn. De rest van de vakantie oefen ik daarmee. Dat gaat nog weleens mis, maar al met al hebben we een fijne tijd.