Van gidsland tot hekkensluiterKees Jansma

‘Nog steeds zeggen ze in het buitenland: wat spelen jullie mooi aanvallend’

In de serie: Van Gidsland tot hekkensluiter. Hoe leidend is Nederland nog? wordt het belang van Nederland als gidsland sterk gerelativeerd. In de laatste aflevering (6) een interview met Kees Jansma over onze nationale trots: Oranje, bij uitstek de exponent van de Hollandse school.

Ruud Krol zet een sliding in tijdens de WK-finale van 1974 tegen West-Duitsland.Beeld Hans Heus

De waardering voor het Nederlandse voetbal is groot in het buitenland. En terecht, meent Kees Jansma. ‘Dat besef is gekomen door de jaren zeventig, de generatie van Cruijff, Keizer, Neeskens en Van Hanegem.’ Jansma (72), maakte als schrijvend journalist, tv-verslaggever en perschef van Oranje decennialang de voetbalvictorie van nabij mee.

Wat was er zo bijzonder aan het Nederlandse voetbal van de jaren zeventig?

‘Het succes. Als jongetje en als beginnend verslaggever ben ik opgegroeid met wat wij nu de magere jaren noemen. Dat waren toen normale jaren. Voetbal was hier een nationale sport, maar internationaal hadden we niets te melden. Met de professionalisering van het voetbal hebben we de weg omhoog gevonden.’

Met coach Rinus Michels kwam de internationale doorbraak.

‘Dat één man hiervoor verantwoordelijk is geweest, is een mooi romantisch beeld. Ik heb het zelf ook vaak tegen Michels gezegd, maar durf na zijn dood vrijuit te spreken. Het is niet alleen zijn verdienste of die van Ernst Happel, die andere charismatische coach uit die tijd. Het is ook overdreven om over totaalvoetbal te spreken. Wat was er ‘totaal’ aan? En heeft Michels Cruijff gebruikt of andersom? Ik zeg: door beleid is in Nederland destijds een sprong voorwaarts gemaakt. Toen bleek dat wij geweldige talenten hadden en die ook herkenden. Omdat wij bij alle voetbalelftallen betere begeleiders en betere trainingsmethoden kregen. Daarin onderscheidden wij ons.’

Hoe uniek was die aanpak?

‘We beseffen het vaak niet, maar het is bijzonder wat er op en rond de Nederlandse voetbalvelden gebeurt. Tussen Alphen aan den Rijn bijvoorbeeld, waar mijn voetbalclub Alphense Boys zit, en mijn woonplaats Doorn staan 85 sportcomplexen van niveau. Gras, kunstgras, verlichting, kleedkamers, zeven dagen in de week beschikbaar. Voor voetbalclubs die allemaal reilen en zeilen dankzij vrijwilligers en gekwalificeerde trainers. En waar kinderen al op jonge leeftijd naar aanleg worden begeleid.’

Met de nadruk op aanvallen.

‘Zeker. Nog steeds zeggen ze in het buitenland: wat spelen jullie mooi aanvallend. Dat komt door die gouden jaren. Feyenoord won de Europa Cup I, daarna Ajax drie keer, de succesvolle WK’s van Oranje in ’74 en ’78. Die drang naar voren, die wil om te scoren. We zijn er mee opgevoed. Ook de jeugd die Cruijff niet eens heeft gekend.’

Altijd maar willen aanvallen, doodt dat niet de creativiteit? 

‘Andere wapens, daar zijn wij Nederlanders huiverig voor. Eigenlijk vinden we het vloeken in de kerk.’

Op de WK’s van 2010 en 2014 was er juist succes omdat Oranje overstapte op behoudend spel.

‘Absoluut. Ik herinner me dat we als staf en spelers van Oranje euforisch waren over onze prestaties op het WK van 2010. Als je zonder optimisme, stilletjes uitgewuifd op Schiphol, naar Zuid-Afrika vertrekt en je haalt dan met vallen en opstaan de WK-finale, ben je opgetogen. Maar ik weet nog goed dat we doodziek terugkwamen in Nederland, vanwege de nederlaag tegen Spanje, maar vooral vanwege de kritische en ­negatieve berichten in de media over ons grove spel in de finale.

We werden destijds door koningin Beatrix onthaald en die zei: u bent een beetje somber. Wij zeiden: heeft u niet gezien wat ze over ons schrijven? Waarop Beatrix de gordijnen openschoof van paleis Noordeinde: en daar stonden al die fans. Die mensen hebben een leuke zomer gehad hoor, zei Beatrix.’

Is het verwachtingspatroon in Nederland te hoog?

‘Veel te hoog. Iedere keer weer. Het is gebaseerd op die gouden jaren zeventig, op de gewonnen EK van 1988, op de clubsuccessen van Ajax, Feyenoord en PSV. We vergeten heel makkelijk dat we ook dramatische toernooien hebben gespeeld.’

Kees Jansma.Beeld ANP

Dan was het ‘crisis’.

‘Ik heb nooit geloofd in een crisis in het Nederlandse voetbal. We waren een tijdje minder. En zelfs toen was het voor een klein land van een onwaarschijnlijk hoog niveau. Zet het af tegen de mogelijkheden van Duitsland, Engeland, Spanje of Italië en we blijven bovenmaats presteren. Het is ongelooflijk knap wat we hebben bereikt, maar ook dat we nog altijd aan die standaard vasthouden.’

Maar we zijn niet meer leidend. We worden geregeld op fysieke kracht en slimheid afgetroefd.

‘In het buitenland zitten ze ook niet stil. Ook daar hebben ze voetbalscholen, video en data en geschoolde trainers. En ze hebben een grotere poule spelers waaruit ze kunnen kiezen. Toch blijven we denken dat we beter zijn. En het blijft wonderlijk dat we een Frenkie de Jong, Steven Bergwijn en Donyell Malen kunnen opleiden. Ieder jaar schudden we aan de boom en vallen er weer talentvolle spelers uit. Dat is geen toeval en komt uit die jaren zeventig voort. ’

Maar er blijft altijd die kritiek.

‘Ik vind dat er met minder cynisme naar talenten moet worden gekeken. Kijk door bepaalde ontwikkelingen van jeugdspelers heen, in plaats van als een oude strenge vader te oordelen over wat ze niet kunnen.’

Dat komt omdat iedereen wordt opgevoed om te winnen.

‘Toch is het logisch dat je af en toe een wedstrijd verliest. Dat gehijg hadden we vroeger niet. De opkomst van die geweldige generatie verliep ongestoord. Voor de voetballers van nu is de wereld een stuk moeilijker.

‘Ik heb tien jaar lang met de spelers van Oranje in de bus gezeten. Tien wedstrijden per jaar. Als we bij een stadion aankwamen ramden de supporters met hun handen op de ramen en riepen ze maar één ding: winnen, winnen, winnen. Niemand zei: doe je best of fijne wedstrijd of maak er een leuke avond van. En dat is bij de jeugd ook zo, het zit in ons. En als het dan minder gaat of de tegenpartij beter, dan roepen we: wat zakken we ver weg. Ik vind dat van een vreselijk opportunisme.’

Rekent u Nederland tot de favorieten bij het EK deze zomer?

‘Nee, zeker niet. Maar we zijn ook geen underdog. De loting is niet ongunstig, maar er zijn bredere en betere selecties dan Nederland. Die van de Duitsers, de Engelsen, de Fransen. Maar door het halen van de finale van de Uefa Nations League vorig jaar zijn de verwachtingen weer hooggespannen. Met Koeman hebben we wel een realistische bondscoach die zal proberen de euforie wat in te dammen.’

Bijna niet te doen in Nederland.

‘Inderdaad. Als het EK begint, denkt iedereen dat we voor goud gaan. ’

Terwijl u zegt: tweede of derde worden is ook mooi?

‘Die derde plek op het WK in 2014 had niemand verwacht, maar het gebeurde wel. En ik sluit niet uit dat het nog eens gebeurt. Zoals ik ook niet uitsluit dat we daarna door zelfoverschatting en arrogantie weer ten onder gaan. Dat is onze rare cyclus. We moeten ons telkens wapenen tegen ons eigen chauvinisme, opportunisme en verwachtingspatroon. Maar één ding gaat niet stuk: onze voetbalcultuur, organisatie en beleving. Die is ongekend in de wereld.’ 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden