Column Chris Oostdam

Niks geen negen maanden te leven, ik heb weer een toekomst

Ik kijk met spanning uit naar de derde kuur. Dan wordt weer een PET-scan gemaakt en door die te vergelijken met de eerste scan, valt er mogelijk iets te zeggen over het effect van de therapie.

Na de dag op de Eerste Hulp, zo’n drieënhalve week eerder, lijkt het beter te gaan. Mijn hart is sindsdien, op twee dagen na, regelmatig gebleven. En dat zet zoden aan de dijk. Ik ben minder moe, niet meer zo kortademig, word langzaamaan sterker. Ik hoest ook minder.

Het is moeilijk uit te maken waardoor ik me beter voel. Komt dat door de aangepaste medicatie? Raak ik gewend aan het ziek zijn en voelt het daarom gewoner? Natuurlijk wil ik verschrikkelijk graag dat dit het resultaat is van de immuuntherapie. Maar ik wil me ook wapenen tegen valse hoop.

Om echt te beseffen hoe goed het met me gaat, heb ik anderen nodig. Mijn zus, die opmerkt dat ik niet meer om de vijf woorden adem hoef te halen, en dat ik, als ik Zappa tot de orde roep, weer een beetje volume in mijn stem heb. Ronald, die zegt dat ik er aardig het tempo in heb als we in het dorp lopen. Het doet me denken aan toen we nog in Amsterdam woonden en we samen in een tempo dat verder niemand bij kon houden, dwars door de stad liepen, van ons huis in oost naar familie in west.

Ik ben licht teleurgesteld dat mijn eigen dokter er niet is. (Iemand zei dat ik niet kan spreken over ‘mijn’ dokter, want de dokter is van vele patiënten. Ik vind het onzin. De gesprekken die je hebt met je arts over je ziekte en over je eigen sterven, zijn heftig en emotioneel. Ik heb haar nu vier keer gezien en gesproken, en ik schat dat geen van die consulten langer dan een half uur heeft geduurd, maar de band die ik met haar heb is intiemer dan met menigeen met wie ik al jaren in hetzelfde gebouw werk. Op die momenten is zij zonder enig voorbehoud van mij.)

Het goede nieuws is er niet minder om. Tot mijn grote opluchting is duidelijk verschil te zien tussen de twee scans. Het lichtgevend laagje rondom mijn hart ziet er aanmerkelijk minder solide uit, de lichtjes van mijn lymfeklieren zijn kleiner of zelfs verdwenen. Daar waar ik eerder kwaad kon zijn op mijn lichaam omdat het me zo in de steek laat, voel ik me nu trots. Zie je wel, ik ben ijzersterk. Mijn lichaam knapt het zelf wel op, als het maar weet hoe. Nu die slimme kankercellen, die zich zo verraderlijk voordoen als ongevaarlijke lichaamseigen cellen, door het medicijn zichtbaar zijn gemaakt, kunnen mijn eigen witte bloedlichaampjes ze herkennen, aanvallen en vernietigen. Daarom heet het ook immunotherapie; je eigen immuunsysteem wordt aan het werk gezet.

Het is natuurlijk geen prestatie waarop je enige invloed kunt uitoefenen, maar de blijdschap is er niet minder om. Niks geen negen maanden, ik heb weer een toekomst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.