ColumnOnze man in Teheran

Niks duurt eeuwig, ook een column niet, bedacht Thomas Erdbrink – dus gaat hij wat anders doen

Volkskrant-journalist Thomas Erdbrink woont in Teheran. Hij bericht nog één keer op deze plek over zijn land.

null Beeld Newsha Tavakolian/Magnum
Beeld Newsha Tavakolian/Magnum

Ik zal het maar direct zeggen: dit is mijn laatste rubriek voor het Volkskrant Magazine. Maar voordat ik uitleg waarom, wil ik schrijven over voetbal. Want daar begon het mee, het wereldkampioenschap voetbal.

Het was een warme zomeravond, namiddag nog eigenlijk. Kinderen reden opgewonden op hun fietsjes over het veldje voor onze flat. Oudjes zaten op de tuinbanken. Opgeschoten jeugd was bezig met een scherm en een projector. Iedereen wist: er had zich een wonder voltrokken en nu zouden we de gevolgen ervan gaan waarnemen.

Iran had zich geplaatst voor het WK. Nu zouden ze dan ook echt gaan spelen. In de lift herinnerde de loensende buurvrouw me eraan dat Nederland zich niet had weten te plaatsen. Haar zoontje, met een blikje cola in de hand, riep hard dat ook Italië niet meedeed.

Beneden verzamelden zich zo’n driehonderd mensen. Sommigen op klapstoeltjes, de meesten in het gras. Vanuit twee luidsprekers klonken de opgewonden stemmen van Iraanse voetbalcommentators: ‘Iran tegen Marokko, daar gaan we mensen!’

Maar niemand was hoopvol. Alles gaat slecht in Iran. De economie ligt in duigen. Trump is uit de nucleaire deal gestapt. Er zijn weer sancties. Ik kan nog wel even doorgaan. Mensen zijn niet blij. Er gaat veel gebeuren in dit land in de komende maanden.

Eerst voetbal. ‘We worden in de pan gehakt’, zei mijn vriend Kamyar, een kunstenaar. ‘Ik hoop dat ze niet al te erg verliezen’, zei Reza, die langer dan iedereen in de flat woont. ‘We denken tenminste eens aan wat anders’, besloot Ida, die blij was dat ze haar hoofddoek niet op hoefde in de besloten tuin van ons gebouw. ‘Veel te warm voor die doek.’

Meer dan 90 minuten later scoorde een van de Marokkanen een prachtig eigen doelpunt en veranderde het veldje in een kolkend festivalterrein. Mijn depressieve buren kusten huilend de Iraanse vlag. Kamyar en Reza vielen elkaar in de armen en Ida danste op een tafel. Iran had gewonnen. Oké, er was wat geluk in het spel geweest, maar dat maakte niemand wat uit.

Ikzelf danste vrolijk mee. De politie was nergens te bekennen en de luidsprekers stonden op vol. Het was een kort moment van collectieve blijdschap, zoals alleen een voetbaloverwinning dat kan brengen.

En zoals het goed is om je kantoor te verlaten als je op zoek bent naar een goed idee, zo schoot het me tussen de feestende menigte opeens te binnen dat dit het einde moet zijn van deze rubriek.

Drie jaar lang heb ik het wel en wee van de Iraniërs beschreven. Misschien wel de aardigste en minst begrepen mensen op aarde. Maar niks moet eeuwig duren. Zeker een rubriek niet. Dus. Ik ga weer wat anders doen. Maar ik weet nog niet wat.

Het Volkskrant Magazine heeft me de kans gegeven op een andere manier over een ver land te schrijven. Over de angst van mijn tandarts voor oorlog, de zwembadmanie van mijn schoonvader, de arrestaties van mijn schoonzusje Negin. Over het nieuwjaar dat hier in Iran op 21 maart valt. Over die keer dat ik een hotelkamer boekte van 2.500 euro per nacht terwijl ik dacht dat het per week was, en daar pas in Hongkong achter kwam. Over Iraanse toeristen op fietsjes door de regen in Nederland. Kortom, over dingen die niet op de nieuwspagina’s van een krant passen.

Ik vind dat de lezer recht heeft om te weten hoe het er in andere landen, in mijn geval Iran, aan toegaat, zonder de dwangbuis van nieuws en vooroordelen. Te vaak kijken we naar andere landen alleen door de bril van hun politiek. Blijkbaar vonden anderen dat ook, de twee bundelingen van deze stukjes zijn 25 duizend keer in boekvorm verkocht. Zeer veel dank voor het lezen.

Boven alles wil ik de Iraniërs bedanken, Newsha, mijn familie en vrienden, mensen over wie ik heb geschreven. Het is niet niks om je bloot te geven voor een groot publiek, zeker als je Iraniër bent. Ook al is het in Nederland, deze stukjes zijn ook op internet te lezen en sommige worden zelfs in het Perzisch vertaald.

Ik zal het missen om op deze manier te kunnen schrijven. Geloof me, bij de serieuze The New York Times, waar ik in het dagelijks leven voor werk, kun je niet over je schoonmoeder of je kat vertellen, terwijl het echte leven in een ander land vaak juist daarachter schuilgaat.

Nog even over het voetbal. Die avond, verlost van verplichtingen, liet ik me helemaal gaan. Frisdrank, van alles. Dat was leuk. Totdat de NOS videobelde via WhatsApp en ik opeens als voetbalanalist in ‘Studio Rusland’ zat, vanonder een lamp in mijn woonkamer in Teheran. ‘Ik vind het gewoon fijn om te zien dat mensen blij zijn’, zei ik met hese stem. ‘En waarom niet? Mensen moeten gewoon blij zijn.’ Zo is het toch? Tot in de toekomst.

Thomas Erdbrink. Beeld Frank Ruiter
Thomas Erdbrink.Beeld Frank Ruiter
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden