Opinie

Nieuwe inlichtingenwet hindert bronbescherming journalisten

De 'bijvangst' van onderzoeksjournalisten wordt slecht beschermd in de ontwerptekst van de Wiv.

Journalisten aan het werk op een redactie. Foto anp

Op 21 maart, gelijktijdig met de gemeenteraadsverkiezingen, vindt het referendum over de vernieuwde Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) plaats. Dat de oude Wiv, afkomstig uit 2002, is ingehaald door technologische ontwikkelingen staat buiten kijf. Herziening is dan ook noodzakelijk, maar de manier waarop deze plaatsvindt, laat in verschillende opzichten te wensen over. De kritiek is niet van de lucht en de vraag rijst of de wet in haar huidige vorm de toets van bijvoorbeeld het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zal doorstaan.

Een flinke tekortkoming in de herziene Wiv is de manier waarop de bescherming van journalisten gestalte krijgt. Omdat zij een centrale rol spelen in het publieke debat, zal voor de directe uitoefening van surveillancebevoegdheden tegenover journalisten toestemming van de rechter nodig zijn. Zo kan misbruik van die bevoegdheden worden voorkomen.

Dat is dus netjes geregeld, maar voor de zogeheten 'bijvangst', gegevens die zijn meegekomen maar niet aan een onderzoek van de veiligheidsdiensten zijn gerelateerd, ligt dat anders. Deze bijvangst mag in theorie drie jaar worden bewaard. Zeer ongelukkig voor de journalist, die gebaat is bij vertrouwelijke communicatie met zijn bronnen. Het belang van de overheid kan nog wel eens verschillen van dat van de journalist. Met in het achterhoofd de gedachte dat de overheid over de schouder kan meekijken, is het logisch dat een journalist terughoudender te werk gaat. Dubbel verlies: het recht op bronbescherming en op vrijheid van meningsuiting zijn zo beide in het geding.

Verwijderen

Voor bijvangst waarin zich communicatie tussen advocaat en cliënt bevindt, is een uitzondering in de wet opgenomen: die communicatie moet direct worden verwijderd. Waarom bestaat er geen gelijksoortige uitzondering voor journalisten? De minister heeft zich hier niet aan willen wagen, omdat, in tegenstelling tot advocaten, niet altijd duidelijk is wie een journalist is en wie niet. Er bestaat niet zoiets als een lijst van alle Nederlandse journalisten. Een dergelijke uitzondering is lastig te handhaven.

Hoe dan ook, praktische problemen mogen niet in de weg staan bij het uitoefenen van grondrechten. Dat in de tekst van de wet nu met geen woord over bijvangst van journalistieke communicatie wordt gerept, is een slechte zaak.

Bron in het vizier

Een ander knelpunt is het indirect uitoefenen van surveillancebevoegdheden op journalisten. Niet de journalist wordt dan gemonitord - daarvoor is toestemming van de rechter nodig en die kun je zomaar eens niet krijgen - maar de bron waarmee hij communiceert. Niet expliciet verboden, maar het is duidelijk dat zo het systeem van rechterlijke toetsing wel heel makkelijk omzeild kan worden door direct de mogelijke bron in het vizier te nemen. Bovendien staat deze gang van zaken op gespannen voet met de uitleg die bijvoorbeeld het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan journalistieke bronbescherming geeft: ook als je de bron belaagt, is het journalistieke recht in het geding. Ook de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten heeft deze kritiek geuit en, al voordat in de Tweede Kamer over het voorstel werd gestemd, tevergeefs aangedrongen op extra waarborgen. Voor deze indirecte inzet van bevoegdheden zou daarom dezelfde toets moeten gelden als voor directe inzet: gewoon netjes langs de rechter gaan.

Zolang een journalist moet raden of zijn communicatie als bijvangst ergens opgeslagen ligt en de inlichtingendiensten zonder schroom achter een vermeende bron aan kunnen, is het rechterlijke toetsingssysteem slechts een doekje voor het bloeden.

Leon Trapman volgt de Research Master Information Law aan de Universiteit van Amsterdam.

Leon Trapman volgt de Research Master Information Law aan de Universiteit van Amsterdam.