Column Sylvia Witteman

‘Nieuw baasje beetje dom, Charlie. Nieuw baasje spreekt geen Honds’

Het lot bracht mij naar een voornamelijk uit pâtisseries en salons du thé bestaand Frans skidorp, waar mijn voltallige gezelschap onmiddellijk de bergen introk en mij achterliet in een groot huis met een dito hond. Een blonde labrador.

Ik heb geen enkel verstand van honden, en van de hond in kwestie wist ik alleen dat hij Charlie heette. Charlie bleek erg vrolijk; ik hoefde maar ‘dag Charlie’ te zeggen of hij begon blaffend om me heen te springen. Hij had duidelijk het zwarte naaigaren niet uitgevonden. Ik moest denken aan de jongeman in het dorp van mijn jeugd; die heette Jan en was wat men toen nog ‘een mongooltje’ noemde. Hij droeg een scheef dichtgeknoopte houtje-touwtje-jas en hij was altijd aan het zingen en dansen. ‘Zulke mensen worden niet oud’, had mijn moeder eens gezegd. Die gedachte kon ik niet verdragen.

Inmiddels was het 45 jaar later, ik had vier keer ‘dag Charlie’ tegen de hond gezegd, hij had vier keer blaffend rondgesprongen en onze conversatie begon een beetje te verzanden. Toen zag ik bij de voordeur een hondenriem hangen. Nu kon ik ook eens, als een rijke Gooise trut, gaan wandelen met een blonde labrador!

’Kom, we gaan uit’, zei ik waarop de hond bijna explodeerde van vreugd. Door zijn agitatie kreeg ik die riem alleen met de grootste inspanning om zijn nek. Ik deed de deur open en hij lanceerde zichzelf - en mij - met grote kracht naar buiten. Hij bleef overeind (makkelijk hoor, op vier poten) maar ik lag languit in de sneeuw. Wild kwispelend hijgde hij in mijn oor.

‘Niet doen, Charlie’, zei ik terwijl ik opkrabbelde. Nog meer gehijg en gekwispel. En wéér rukken aan die riem. Wat zeg je dan tegen zo’n beest? ‘Rustig!’, riep ik maar eens. ‘Nieuw baasje beetje dom, Charlie. Nieuw baasje spreekt geen Honds. Brááf zijn.’

Het hielp. Een béétje. De hond trok mij in iets kalmer tempo voort, snoof verhit aan allerlei struiken en deed her en der heel kleine plasjes, waarbij hij onverzettelijk uit zijn ogen keek, alsof hij iets groots aan het verrichten was. Na het twaalfde plasje was het kennelijk genoeg en hij trok me weer naar huis. Het koekje dat ik hem daar overhandigde bracht hem in een staat van opperste verrukking. Ik gaf hem er nog een. Godskolere, wat een mazzel, zag ik hem denken.

Hij ligt nu naast me. Terwijl ik zit te tikken kijkt hij me telkens aan met een blik van peilloos warme, hartelijke zwakzinnigheid.

Ik ken hem pas één dag, maar ik kan de gedachte al niet meer verdragen dat hij ooit zal sterven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden