VerslaggeverscolumnMargriet Oostveen in Nieuwegein

Niemand weet de weg naar aardgasvrije wijken

Als het Klimaatakkoord echt wordt uitgevoerd, dan moet in 2050 de helft van de gebouwde omgeving in Nederland aardgasvrij zijn. De helft! Om dat zo’n beetje te gaan halen moeten er vóór 2030 alleen al 1,5 miljoen woningen van het aardgas af.

Ongekende aantallen: de ­komende tien jaar moeten we dan dus ieder jaar 150 duizend woningen aanpakken als we tenminste nú met het losdraaien van al die gasketels zouden beginnen. Wat ­allerminst het geval is.

Om de moed erin te houden, ­organiseerden het Rijk, provincies, waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten donderdag het ‘Congres Aardgasvrije Wijken’. Saaie titel, maar gezien de hoge inzet toch echt spannend en dus tjokvol met ruim duizend ­beleidsambtenaren, bestuurders, ingenieurs.

Gaan we het halen? En waarom niet? Zo liggen de zaken er nu wel ongeveer voor.

Dit congres is, zoals een deel­nemer het nogal treffend zegt, dan ook vooral de plaats waar je ‘het veelkoppig monster eens goed in de bek kunt kijken’. En dat is dan nog een welwillende bewoner die is gekomen namens één van de 27 Proeftuinen Aardgasvrije ­Wijken, de woonwijken die verspreid over Nederland en met rijkssubsidie nu al aan het omschakelen zijn op aardgasvrij, omdat hun ­gemeenten zich daar vrijwillig voor hebben aangemeld. Bijna overal zijn de proeftuinen nog in de ontwikkelfase. Door het veelkoppige monster.

Ruud IJtsma: ‘Nooit genoeg monteurs.'

Aardgasvrij worden gaat dan ook over bijna onmogelijk veel tegelijk: draagvlak, besluitvorming, betaalbaarheid, financiers, het tekort aan technici, wat er allemaal al in de grond zit. Wat er in de grond moet om al die warmtepompen in ­bedrijf te krijgen. Van wie die grond dan is. Het gaat over dwingen of verleiden. En wat mensen aandurven en willen betalen.

De aanwezigen lijken volkomen doordrongen van de ernst van de situatie: burgers zijn terecht huiverig. Dus hoe en waar te beginnen?

Er is een hoekje ingericht voor ‘social design’ oftewel hoe men de neuzen dezelfde kant op kan nudgen. Er is een deelsessie die ‘Verleiding of dwang’ heet (‘over doorzettingsmacht en experimenteerruimte’). Daar breekt een kleine ­revolte uit omdat de toegestroomde gemeenteambtenaren niet de beloofde strategieën krijgen aangereikt. Iemand: ‘Moeten we nou dwingen of verleiden? Jammer dat dit totaal niet aan de orde komt.’ Waarop een luid, opstandig applaus losbarst.

De jurist van het ministerie van Binnenlandse Zaken die de presentatie geeft, reageert ontwapenend met een al bijna prehistorische eerlijkheid: ‘U hebt helemaal gelijk. Ik zei vorige week nog op het ministerie: wat gaan we daar op dat congres doen, we hebben niets te bieden.’

Maar de minister wilde het per se, want er moesten ‘zoveel mogelijk mensen meedoen’ aan dit congres.

Maarten van Poelgeest (op het scherm) weet het ook niet.

Zo kan het kabinet volhouden dat we het ‘met elkaar’ doen, ongetwijfeld. Maar dat is niet zo. Je wint er geen stemmen mee. Dus vooral de gemeenten en provincies mogen zelf voortmodderen. Dat heet tegenwoordig ‘de regie’.

Een voorbeeld. In de plenaire zaal zit ik naast een ingenieur, Ruud IJtsma van Bouwend Nederland, de brancheorganisatie voor 4.300 bedrijven in de bouw- en infrastructuursector. Ruud besteedt daar al zijn tijd aan de bedrijven die de energietransitie geacht worden uit te voeren, en dan bij ‘de vakgroep ondergrondse netwerken’. Denk aan de infrastructuur van veel zwaardere elektriciteitsnetwerken die de grond in zal moeten om al die afzonderlijke warmtepompen straks aan de praat te houden. Of de warmtenetwerken die een hele wijk tegelijk moeten bedienen.

Vraag Ruud wat op nummer één van zijn lijstje benodigdheden voor de energietransitie staat en hij zegt: ‘Duidelijkheid. Weten waar we naartoe gaan. Dat zou de landelijke politiek nu eens moeten beslissen.’

Bouwbedrijven die niet vrijwillig failliet willen gaan, kunnen niet opschalen om de transitiedoelen te halen, zolang ze niet weten waar ze aan toe zijn. Neem alleen al het tekort aan warmtemonteurs. Het Planbureau voor de Leefomgeving rekende uit dat er 11.500 extra nodig zijn om het ­Klimaatakkoord uit te voeren. Zij leiden er nu honderd per jaar op, maar als je daar de leegloop door vergrijzing afhaalt, houd je maar 40 extra monteurs per jaar over. ‘Zo halen we het nooit.’

Het voornaamste probleem op het congres Aardgasvrije Wijken is dus dat niemand echt weet hoe het nu verder moet: ‘Er is niet één oplossing’, klinkt het steeds.

Maarten van Poelgeest, die er als voorzitter namens het Klimaat­akkoord voor moet zorgen dat er wel wat gebeurt, bedacht een pijnlijk goed getroffen eufemisme: ‘We moeten sturen in onzekerheid’. Maar wie durft zoiets?

Het hoekje ‘social design’.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden