Nico komt erachter dat hij alles alleen moet doen en wil ook een streetteam

Ik las zaterdag in de Volkskrant het verhaal over Dotan, legde de krant weg en liep de tuin in. ‘Waarom heb ik geen streetteam?’, vroeg ik Tanja. ‘Misschien omdat je nooit op straat komt’, zei ze. Daar moest ik even over nadenken. ‘Dan heb je toch juist een streetteam nodig? Dan kan ik als artiest lekker thuis gaan zitten scheppen en ondertussen is mijn streetteam actief in steden waar ze me nog niet kennen. Bilthoven bijvoorbeeld, daar liep ik laatst over straat en niemand herkende mij. Als je een streetteam hebt, dan lossen zij dat op.’ ‘Je staat in mijn zon’, zei Tanja.

Het zat me niet lekker. Zou je net zien, dat ik weer de enige artiest was zonder streetteam. Daar was ik lekker klaar mee. Zat ik iedere dag alles zelf op te lossen, terwijl collega’s van mij aan het vergaderen waren. Ik belde P.F. Thomése. ‘Ja met Nico hier. Leuk boek heb je getikt, over die ene man, maar even wat anders, heb jij een streetteam?’

Ja dus. Al jaren. Thomése vertelde mij hoe hij iedere dinsdagochtend zijn streetteam wat bijstuurde. ‘Hoeveel zijn het er dan?’, vroeg ik. ‘Op dit moment 362 mensen.’ Hij legde me uit wat voor opdrachten hij zijn team meegaf, voordat ze uitwaaierden over het land. ‘Ze gaan in een boekwinkel naast mensen staan en dan zeggen ze: ‘Die P.F. Thomése, wat heeft die toch een leuk haar. Zo zou ik het ook wel willen dragen.’

Ik raakte een beetje in paniek. Als zelfs Thomése een streetteam had, wat was ik dan in godsnaam amateuristisch aan het kloten? Ik belde Maarten ’t Hart. Die was sowieso tegen iedere vernieuwing. Maarten, die stond om vijf uur ’s ochtends op zijn pumps vloekend bieslook uit zijn tuin te trekken. Hij bleek ook een streetteam te hebben. Maarten ’t Hart zijn team plakte ieder weekend gele stickers met het woord RAMSJ op boeken van Connie Palmen.

Dotan Harpenau Beeld ANP Kippa

Ik weer de tuin in. ‘Iedereen heeft een streetteam, behalve ik.’ Tanja reageerde niet. ‘Ik zou het best fijn vinden, af en toe, om een streetteam te hebben.’ Ze keek op. ‘Wat zou je die dan laten doen? Zeggen dat je zelfstandig aardappels kunt koken?’ ‘Nee, ik zou ze bijvoorbeeld steeds kunnen laten vragen naar mijn laatste boek.’ ‘Je hebt al twee jaar geen laatste boek’, zei Tanja.

Ik ging weer naar binnen. Ze had gelijk. Als ik dan toch een streetteam had, dan moest ik het met militaire precisie aansturen. Op plekken waar mensen het niet zagen aankomen. In een bioscoop bijvoorbeeld. Naast iemand gaan zitten en dan zeggen: ‘Had Nico Dijkshoorn de tekst voor deze eenzame Italiaanse boer maar geschreven.’ Of in een broodjeswinkel. ‘Graag twee keer de Dijkshoorn Double Cheeser met gebakken uitjes (…) Hoezo, die verkopen we niet? Kent u Nico Dijkshoorn?’

Ik kreeg er zin in. Het leek me leuk als ze in mijn streetteam allemaal dezelfde kleren droegen. Losse veters in de sneakers en allemaal op precies dezelfde plek een scheurtje in hun broek. Ik vond het nu al leuk voor die mensen dat ze met mij mochten gaan werken.

Weer de tuin in. ‘Ik heb een naam verzonnen voor mijn streetteam.’ ‘Vertel maar,’ zei Tanja. ‘The Wild Ones.’ Ze keek niet op van haar boek. ‘Leuk ja. Nu jij nog.’ 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.