Column Nico Dijkshoorn

Nico Dijkshoorn was in Zweden en dacht na over chips en de dood

Een week geleden was ik in Zweden. Samen met Tanja keek ik in de plaatselijke supermarkt naar zakken chips. Als kleuter verbleef ik tijdens de weekenden 12 uur per dag op een honkbalveld. Eindeloze vangballen, gekeuvel van de spelersvrouwen, Nico, niet met je handen door het hek, kijk nu komt pappa aan slag en dan eindelijk: een zakje gewone chips.

Paprikachips werd bij ons in de familie blijkbaar beleefd als exotisch. Het kon ook bijna niet, als je naar een paprika keek. Hoe kregen ze die in dat zakje chips? Gewone chips was lekker overzichtelijk: gebakken schijfjes aardappel in een rood zakje. Paprikachips zat in een blauw zakje, waar ik ook niets van begreep. In blauwe zakjes doe je afwastabletten of een fris ruikend middel tegen voetschimmel.

Maar goed, gewone chips. Midden op dat veld, op dat vreselijke veld vol met mannen in rare pakken en met vreemde petjes op het hoofd, tijdens die urenlange imitatie van echt Amerikaans honkbal ergens aan de rand van Diemen, strooide ik zout over over mijn chips.

Ja, kinderen, er zat een apart zakje zout bij de chips. Daar moest je naar zoeken. Ik kon dat heel goed. Heel voorzichtig legde ik mijn chips op een dekentje en zocht naar het zakje zout. Daarna deed ik de chips weer terug, scheurde het zakje zout open en tikte met mijn vinger zachtjes op het papier. Ik zoutte mijn eigen chips. Gewone chips.

Wanneer alle chips op was deed ik mijn vuistje in de zak, bewoog hem heen en weer en likte het zout van mijn knokkels. Vijftig jaar later kreeg ik twee tia’s, maar dat is weer een heel ander verhaal.

Nu stond ik voor zes meter smaken chips in een Zweedse supermarkt. Ze hielden hier van ribbels en zure room. Op iedere zak stond aangegeven hoe pittig de chips was. Paprikachips kreeg twee getekende pepertjes. Ik wist genoeg: Zweden houden niet van heet.

Daarna wist ik even niet wat we verder in Zweden moesten doen. Ik tikte de woorden ‘Växjö’ en ‘dagtrip’ in op mijn telefoon en keek naar een houten kerk. In de begeleidende tekst stond dat verschillende generaties Zweden zich leeg hadden gevochten voor deze kerk. Ik dacht aan de Notre Dame, de plannen voor een botanische tuin op het nieuwe dak en stapte in mijn auto.

Tanja en ik stonden voor de kerk. Inderdaad, hij was van hout. Doodse stilte. Alleen vogels. Kilometers verder deed iemand zijn deur dicht. Ik twijfelde. Wat deed ik hier? Waarom was ik hier naartoe gereden. Ik schrok. Zocht ik iets, op deze plek? Nee toch. Dat was niets voor mij.

Ik was de man die altijd buiten bleef wachten als de rest van de familie een kerk in liep. Ze kenden mijn gezeur. Al die verloren energie, eeuwen lang stenen op elkaar stapelen voor iemand die niet bestond. In die tijd hadden ze wifi kunnen uitvinden.

Ik opende de deur. Ik betrad voor het eerst een kerk. Er lagen rode bijbeltjes. Drie kwartier lang bewoog ik in en om het gebouw. Weer thuis bekeken we de foto’s die ik had genomen. ‘Geen een keer een graf. Er was een kerkhof’, zei Tanja. Ze had gelijk. Ik had de dood wel gezien, naast de kerk, maar had hem genegeerd. Nee, haar. De dood is een vrouw. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden