Nico Dijkshoorn over zijn brandend verlangen naar de echte cowboyhoed

In TivoliVredenburg kwam zomaar opeens een oud verlangen terug.

Beeld de Volkskrant

Enkele dagen geleden was ik naar een concert van Tim Knol in TivoliVredenburg, Utrecht. Halverwege zijn optreden kreeg ik zin in een heel grote cowboyhoed. Meerstemmige zang, prachtige liedjes en een zacht huilende pedalsteel brachten mij langzaam in de stemming. Ja zeg, dat zou toch prachtig zijn geweest, terug in de auto - bij gebrek aan paard - met mijn cowboyhoed omgekeerd op de passagiersstoel.Thuis komen en hem achteloos in een hoek smijten. Daarna op een stuk gedroogd vlees kauwen.

Als iets niet mag dan wil ik het. Tivoli wil geen cowboys over de vloer. Te pijnlijk voor de nog levende indianen. Er woont op dit moment nog één indiaan in Nederland, twee huizen naast Peter Buwalda. Zo gaat zijn nieuwe boek ook heten: De indiaan van nummer 16. Als Peter afhaal-Thai over heeft, giet hij het in een omgekeerde cowboyhoed en zet het bij de indiaan voor de deur. Schrijvershumor. Harry Mulisch legde elke zaterdagochtend een gebakken bokking op een oude krant bij Gerard Reve voor de deur.

Maar die weemoed naar hoed, het kwam door Austin en San Antonio. Een jaar of vijf geleden verbleef ik een week lang in Texas en nooit eerder voelde mijn hoofd zo bloot. Ik was op honderden meters afstand herkenbaar als Nederlander. Ik had net zo goed klompen aan kunnen doen. Iedereen droeg een cowboyhoed.

In Nederland vind ik de hoed ingewikkeld. Ik ben bang dat andere mensen denken dat ik mijn kaalheid probeer te verbergen. In Nederland maakt een hoed je juist kaler. En dommer. Een verkeerde cowboyhoed op je hoofd en ze denken dat je in het weekend met tachtig andere mislukkelingen ergens in een kantine staat te linedancen met een rood doekje uit je achterzak. Linedancen ziet er uit als heel langzaam met je schoenen een vuur doven. Het is een keiharde fuck you naar echt dansen. De vogeltjesdans, maar dan met een hoed op.

In Texas lag dat anders. Viriele mannetjes waren het, de hoedendragers. Ik gluurde naar ze, in The Broken Spoke, een schuur aan de rand van Austin waar mijn held Dale Watson die avond speelde. De hoedendragers lachten heel hard, met hun hoofd achter in de nek. Geen indiaan te bekennen. Om de twee liedjes legde Dale zijn optreden stil, ging onder een lampje staan en zei: 'Lone Star!' Daarna dronk hij bier uit zijn hoed.

Ik wilde net zo'n hoed. Een waterdichte hoed waar je stamppot uit kon eten. Extra jus, geen probleem meneertje. Waterdicht! Ik werd doorverwezen naar San Antonio. Daar zat de beste hoedenmaker van Texas. Laten wij hem voor het gemak Handsom Bill McKensie noemen. Lang verhaal kort: Handsome Bill was niet blij mij te zien. Wat ik kwam doen, was de vraag. 'I want a hat where you can put your diner in' wilde ik zeggen, maar intuïtief voelde ik dat dit niet het goede antwoord was. 'I want some crazy boots for this lady here.' Ik wees naar Tanja.

Heel laf betrok ik haar in mijn ellende. Ik had in één zin een volgzaam cowboyvrouwtje van haar gemaakt. Drie uur lang heeft ze laarzen staan passen. Achter een gordijn. Met Handsom Bill McKensie. Blauwe leren laarzen werden het, met bloemen er- op. Mij wilde hij geen hoed verkopen. Hij moest aan zijn zaak denken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden