Column Nico Dijkshoorn

Nico Dijkshoorn bezocht een bouwmarkt. En wat hij daar kocht – hij krijgt er tranen van in zijn ogen

Ik heb gisteren drie voorwerpen gekocht in een bouwmarkt. Doe ik ieder jaar. Ik dwing mezelf om naar een plek te gaan die ik niet begrijp. Een jaar geleden was dat Volendam. Vier jaar geleden een toernooi voor tafelvoetballers. Van alle plekken die ik met enorme tegenzin bezocht, was de bouwmarkt de meest intimiderende. Ik schuifelde voorzichtig langs voorwerpen die ik niet begreep.

Om u een idee te geven: ik heb bijna zes minuten naar een mengkraan staan kijken die reageert op geschreeuwde bevelen. Kun je zelf instellen. Als je bijvoorbeeld heel hard ‘HOER!’ roept en tegelijk de groene en de rode knop kort achter elkaar vier keer indrukt, dan zit het woord in zijn werkgeheugen. Ik voelde het meteen: ik wilde die kraan hebben.

Leek me zo fijn. In mijn woonkamer op de bank zitten, met mijn rug naar de kraan, en heel hard ‘DE SITUATIE IN HET MIDDEN-OOSTEN, NOU NOU, HET IS ME WAT!’ roepen, en dat je achter je de kraan hoort gaan lopen. Die kraan is het uiteindelijk niet geworden – maar wat ik wel heb gekocht, mensen, ik krijg er de tranen van in mijn ogen. Noem het geluk, noem het thuiskomen. De drie voorwerpen liggen nu vlak voor mij op tafel. Ik kijk ernaar en ik kan nog steeds niet geloven dat ze van mij zijn.

Links ligt een infraroodafstandsmeter. Je richt de rode straal op een muur en dan zie je op het schermpje wat de afstand is. Die noteer ik in een schriftje. Dit is wat ik tot nu toe heb gemeten: plafond 2,05, balkon buren 6,34, meeuw op dak buren 7,04, rechterschoen 0,86. Vanmiddag ga ik ook buiten wat dingen meten. Dat hebt u van mij tegoed. Als ik er ooit niet meer ben, kunnen mijn kinderen in dat schriftje kijken en weten ze precies hoever alles bij me vandaan stond.

Dan het middelste voorwerp. Een lamp voor op je hoofd. Wat moet ik er verder van zeggen? Het is een lamp met een elastiek. Als je hem ophebt, kan je partner een batterij achter op het hoofd klikken. Ik heb hem vannacht geprobeerd. Ik schrok. Denkt u maar aan de Brandaris. Als ik met deze lamp op mijn hoofd ’s nachts aan de kust ga staan en ik beweeg mijn hoofd van links naar rechts, dan liggen er de volgende dag twee olietankers op het strand. Ik verlang intens naar een lange stroomstoring. ‘Waar loopt Dijkshoorn nu mee op zijn hoofd? Waarom hebben wij die niet?’

Het laatste voorwerp is het fijnst: een megafoon. Ik ben dol op megafoons. Het maakt niet uit wat je erdoorheen roept, het klinkt altijd urgent. Je hoeft ook niet verstaanbaar te zijn, als je maar steeds afsluit met ‘Dank u wel!’ Het mooist is als hij net iets te hard staat en alles gaat piepen.

Ook deze megafoon heb ik meteen uitgeprobeerd. Ik ben drie straten verderop voor een deur gaan staan en heb dit gemegafoneerd: ‘Beste munssse, vandaag verrichter zaken de gemeente donderdag onroepelijk en zulle niet door de vingers zien. Giftig vanwege speciale zak zeven uur ’s ochtends aan straatzijde mag niet, rechterkant wel. Vrijdag is kantie dus dan niet. Ook geld gewoon voor woners van nummer 87, ja! Dank u wel!’ 

Meer over