Column Laura van der Haar

Net toen ik dacht dat het niet erger kon, maakte de woningbouwvereniging het nog vele malen erger

Naast ‘ik ga het kort houden’, steevast gevolgd door een dodelijke aanslag op je concentratieboog, en ‘dus dat’, wat iedereen tegenwoordig zegt om een onsamenhangend saai verhaal ook nog even compleet inspiratieloos samen te vatten, heb ik de allergrootste hekel aan de woordcombinatie ‘komt goed’. Vooral als mijn vriend die uitspreekt. Want hij zegt dat altijd als ik boos ben of verdrietig of hysterisch, terwijl die twee voorspellende woorden inmiddels meermaals grandioos gelogenstraft zijn door de feiten, vooral wat betreft de clusterfuck waarin ik door mijn woningbouwvereniging waarvan ik de naam niet zal noemen verzeild was geraakt. Lekkages, waterschade, rottend keukenblok, máánden wachttijd; en net toen ik dacht dat het niet erger kon, maakte de woningbouwvereniging, wier voormalig directeur nu een celstraf uitzit wegens corruptie, het nog vele malen erger. Mijn toilet overstroomde. Met poep. Van alle bovenburen. Nadat ik woest had staan schrobben en met mijn zwangere lijf de van poep doordrenkte vloer eruit had gesloopt en dacht dat het voorbij was, begon het poepborrelen opnieuw. ‘Komt goed’, zei mijn vriend toen ik hem hyperventilerend opbelde; hij kwam meteen naar me toe, twee uurtjes rijden (vrij lang in poepborreltijd)!

Inmiddels is het riooldroesem weg, sterker nog: de defecten zijn verholpen, alles is prachtig opnieuw betegeld, de nieuwe keuken blinkt uitnodigend en het is weer mijn lieve fijne woning waar ik eigenlijk nooit weg wil, ware het niet dat er een kindje aankomt en een extra kamer fantastisch zou zijn.

Nu hebben woningbouwverenigingen een app ontwikkeld om woningruil te bevorderen: HuisjeHuisje, een soort huizen-Tinder met een interface nog erbarmelijker dan de klantenservice van mijn woningbouwvereniging. Wonder boven wonder stroomden de matches binnen. Wondertje hoger: één ervan bleek mijn droomhuis. Nog een treetje verder op de wonderwenteltrap: na bezichtiging wilden we allebei ruilen! Direct ging ik vloeren uitzoeken en plattegronden tekenen en verhuisservices vergelijken, zodat ik met een beetje geluk en wat extra sterke handen nog net voor de bevalling over kon zijn. Wat kon er misgaan? Nou, een woningbouwvereniging.

Als antwoord op mijn stapels ingestuurde levensdocumenten ontving ik een korte mail met als onderwerp: ‘Afwijzing’. Voor mijn droomhuis moest je minimaal één kind hebben. ‘Ooooo’, lachte ik aan de telefoon, ‘maar dat is gelukkig de reden dat ik wil verhuizen, ik heb bíjna een kind!’

‘Volgens de gemeentelijke basisadministratie heeft u nul kinderen, mevrouw.’

‘Moet ik anders even langskomen zodat u mijn buik kunt zien?’

‘Wij kijken enkel naar de GBA. Stuurt u rondom de bevalling alles nogmaals op.’

‘Maar mevrouw’, riep ik, ‘ik kan toch niet bevallend verhuizen? En wil mijn ruilpartner daar wel op wachten? Dit is mijn droomhuis mevrouw, wat nu?!’

Eigenlijk wilde ik maar één ding horen, dus ik hing op en belde briesend mijn vriend. ‘Komt goed,’ zei hij. Dus dat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden