Neem literair debat op de schop

Noem in een bespreking geen andere namen meer dan die van de schrijver zelf, en vergelijk niemand meer met Mulisch, Hermans of Reve.

Beeld anp

Philip Huff, schrijver, 30 jaar oud, presenteerde afgelopen donderdag op deze opiniepagina's zijn huiswerkopdracht Google-voor-beginners: wat hij had opgezocht waren de leeftijden van wat hij de 'toonaangevende critici' in de Nederlandse boekenbijlagen vond. Dit om iets te weerleggen wat ik eerder in een interview in de Volkskrant had gezegd, namelijk dat je als jonge schrijver niet moest zeuren als de meeste critici mannen van een bepaalde leeftijd waren - als het literaire debat je niet bevalt, bemoei je er dan zelf mee, ga zelf essays en recensies schrijven. Als je niet stemt, moet je ook niet klagen over de regering.

De leeftijden die Philip had opgespoord toonden aan dat de gemiddelde recensent een vijftiger is, iets wat volgens hem niet verwonderlijk was, want 'het hele waardensysteem van de literatuur is in Nederland rondom mannen van middelbare leeftijd opgehangen'. Hij vervolgde dit met een opsomming van uitgeverijen waar mannen volgens hem de dienst uitmaken - ik kan een stuk of wat vrouwen bedenken die zich buitengewoon gepasseerd zullen voelen, bijvoorbeeld bij Philips eigen uitgeverij, de Bezige Bij, waar de hoofdredacteur fictie toch echt een vrouw is.

Natuurlijk weet Philip zelf ook wel dat zijn lijstje tendentieus was. Hij liet alle vrouwelijke recensenten buiten beschouwing, evenals alle jonge recensenten. Sebastiaan Kort en Thomas de Veen (NRC), Dries Muus (Parool), Niña Weijers, Nina Polak en John Postma (De Groene Amsterdammer) hoeven voorlopig nog niet aan de botox. Wat Philip zich eigenlijk had moeten afvragen is: wanneer alle critici van dezelfde leeftijd zijn, op dezelfde universiteit hebben gezeten, van dezelfde hoogleraren les hebben gehad, ontstaat er dan een uniforme literatuurkritiek, waarin elk boek op dezelfde manier wordt gelezen en beoordeeld?

Het mag duidelijk zijn dat dat niet het geval is, zie bijvoorbeeld hoe gevarieerd Philips nieuwste roman, Boek van de doden, is besproken. Arie Storm (Het Parool) zoomde enkel in op Philips stijl, Marja Pruis' (De Groene Amsterdammer) focus lag op de thematiek. Arie Storm is 51 en met Marja Pruis heb ik een heel groot probleem als ik hier haar leeftijd opschrijf.

Een tweede vraag die Philip had moeten stellen is: word je als schrijver steevast verkeerd begrepen als je recensent van een generatie jonger of ouder is? Heel soms gebeurt dat. Nina Polak (1986) publiceerde met We zullen niet te pletter slaan een van de meest oorspronkelijke romans van het jaar, geschreven in een hippe, moderne stijl. Maar in de NRC ging vervolgens de helft van de bespreking erover dat de recensente van dienst (Janet Luis, 57) niet wist wat woorden als 'preppy' en 'morphen' betekenden - woorden die iedereen uit 1986 wél zal kennen.

Nu is zo'n generatiebotsing een incident, niet de regel. Wat meer stelselmatig is, is een botsing in canon, in referentiekader. Als een schrijver met enig succes debuteert, lijkt het vaak alsof er maar drie mogelijke vergelijkingen zijn. Een jonge schrijver lijkt uitsluitend een nieuwe Harry Mulisch, een nieuwe W.F. Hermans of een nieuwe Gerard Reve te kunnen zijn. Andere smaken zijn er niet. Nu is dit bepaald geen belediging, maar het kan iets wezenloos hebben. Wanneer Philip Huff een roman schrijft over melancholische jongeren, wordt die ogenblikkelijk vergeleken met Reves De Avonden. Nu is die vergelijking misschien inzichtelijk voor de krantenlezer, maar behalve dat het over jongeren gaat lijkt Philips Boek van de doden in stijl, thematiek en onderwerp op geen enkele manier op De Avonden (of ik moet over de scène hebben heen gelezen waarin Frits van Egters anonieme Tinderseks heeft). Al moet gezegd worden dat de recensent die de vergelijking met De Avonden maakte, in de Volkskrant, een twintiger is. En een vrouw bovendien.

Daarnaast: het aantal jonge schrijvers dat zich daadwerkelijk doorslaggevend door Mulisch, Reve en Hermans laat inspireren is toch zeer beperkt. De jonge schrijvers die ik ken laten zich inspireren door comedy's als Louis CK, door tv-series als The Walking Dead, door computerspelletjes, door internettaal - en boven alles door Amerikaanse en Engelse literatuur.

Je kunt van geen recensent verwachten dat hij al deze eclectische inspiratiebronnen kent, hoe jong of oud hij ook is, en daarmee kom je op een belangrijker punt: goede literatuurkritiek zou moeten gaan over wat een boek is, niet over waar een boek op lijkt. Als dat de inzet is, doet het er ook niet toe of een recensent twintiger of vijftiger, man of vrouw is, want de persoonlijke canon die elke recensent met zich meedraagt, is dan niet langer het referentiekader. Dus dat worden dan mijn twee punten op het Grootcongres der Vaderlandsche Recensenten: dat er in een bespreking geen andere namen meer genoemd worden dan die van de schrijver zelf en dat er de komende tien jaar niemand meer wordt vergeleken met Mulisch, Hermans of Reve.

Behalve dan ik, met Mulisch alstublieft.

Joost de Vries is schrijver.

Joost de Vries Beeld Linelle Deunk
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden