Opinie Nederlandse identiteit

Nederlanders zijn gebaat bij meer empathie

Zien we de Nederlandse samenleving als waardengemeenschap of als etnische gemeenschap? 

Gabrielle, Ghazal,​ Erik, Sebastiaan. Uit een serie portretten van ‘gemengde gezinnen’ (naar herkomst) in Nederland. Foto Foto Negin Zendegani

'Ik ga nu niet zeuren dat wij daar niets over te zeggen hebben gehad', schreef Martin Sommer zijn ongenoegen weg over de aanwezigheid van immigranten in de Nederlandse steden op 2 juni in deze krant. Alsof dat Syrische vluchtelingengezin of dat migrantenkind daar wél iets over te zeggen had. Of alsof de ‘oorspronkelijke Nederlanders’ (term is van Sommer) een referendum door de neus was geboord: ‘Wilt u meer of minder’ mensen ‘van Duitsen bloed’ in uw stad? Om het vervolgens te ‘gaan regelen’.

Aanleiding was de publicatie van het rapport De nieuwe verscheidenheid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Daarin werd onder meer geconcludeerd dat de nieuwe verscheidenheid naar herkomst in Nederland een structureel karakter heeft en dat het samenleven daardoor ingewikkelder wordt.

Daarop gingen verschillende commentatoren vanaf hun kant van het dal naar de andere kant ‘zie je nou wel’ roepen. En zo ‘zeurde’ Sommer toch: ‘Feitelijk is diversiteit een doorslaand succes’ en ‘Nu (...) graag (ook) een WRR-rapport over de mogelijkheid om de immigratie te beperken’.

Hoe samen verder?

Nu hoor ik niet bij die kerk waar men zegt, laat iedereen maar gezellig binnen. Natuurlijk moet er een uiterst streng toelatingsbeleid zijn. Maar nu het rapport over wie ooit waarvandaan vertrok er ligt, heb ik het liever over hoe nu samen verder. Want eenmaal Nederlandse burger, hoort het niet uit te maken of je voorouders hebben meegeholpen met het turfsteken of niet.

Of toch?

Op 14 oktober 2017 definieerde Sommer in deze krant de ‘Rutte-iaanse’ term ‘de gewone, normale Nederlanders’ als: ‘Nederlanders die al generaties een band met dit land hebben, en het in goede staat willen doorgeven aan hun kinderen en kleinkinderen.’

De vraag is hier of we de Nederlandse samenleving zien als een waardengemeenschap of een etnische gemeenschap. Anno 2018 is eenvijfde van de Nederlanders van buitenlandse komaf (Sommer uit WRR rapport). Deze ‘ongewone, niet normale Nederlanders’ krijgen permanent de ‘belangstellende’ vraag te horen, ‘waar kom je vandaan?’. Daarmee wellicht onbedoeld aangevend, ‘het valt op dat je hier niet thuis hoort’. De laatste keer was mijn persoonlijke antwoord: ‘de juiste vraag is niet, waar ík vandaan kom, maar, waar wíj naar toe gaan.’ De vraagsteller viel even stil en vroeg vervolgens waar mijn ouders vandaan kwamen. Voor de verandering zei ik deze keer Bhutan, want ik wist dat anders de volgende vraag zal zijn of ik die ene ‘Iraniër’ ken die hij toevallig ook kent en dat ik vervolgens het komende half uur zíjn levensverhaal moet aanhoren. Hij kende gelukkig niemand uit Bhutan.

Aan de andere kant van het dal is het ook niet minder tragikomisch, als de derde generatie migrantenkinderen nog met het accent van hun opoe Nederlands spreekt. Of als ze hun partner uit het achterlijke dorp halen waar opa ooit vertrok, achterstand op achterstand stapelend. Het is bespottelijk als ze in hun geboorteland met de vlag van een ondemocratisch land duizenden kilometers verderop zwaaien. Het is triest en lachwekkend als ze liever in het nationale voetbalteam van een land spelen waar ze alleen op vakantie zijn geweest en de taal niet eens spreken, dan van hun geboorteland waar hun toekomst en die van hun kinderen ligt.

Leer je landgenoten kennen

Laatst vroeg ik tijdens een lezing aan een groep hoogopgeleide Nederlanders wie in zijn directe nabijheid iemand kende met een andere culturele achtergrond. Het bleef stil. Stap nou eens uit die groep waarin je je hebt opgesloten en leer je landgenoten kennen.

Hoe? In ieder geval niet zoals de Amsterdamse politie door je eigen seculiere rechtstatelijke waarden en principes weg te poetsen en tijdens de ramadan Koran-recitatie en iftar te gaan organiseren. Daarmee bevestig je mensen in die ene smalle religieuze deelidentiteit waarin ze zichzelf de laatste jaren steeds verder terugtrekken. Ook veroordeel je de minder religieuze leden van die groep tot die ene deelidentiteit en de gezagsverhoudingen daarbinnen. Een gezagsdrager namens de seculiere rechtstaat hoort beter te weten.

Juist omdat Nederlandse burgers zulke verschillende achtergronden hebben, ligt onze enige gezamenlijke ontmoetingsplek bij de Nederlandse seculiere, democratische, rechtstatelijke waarden en principes. Bovendien is het een hardnekkig en beledigend misverstand dat ‘diversiteit’ zou betekenen lief zijn tegen mensen met niet-witte uiterlijke kenmerken en gebruiken, door ze bijvoorbeeld aan een baantje te helpen. Diversiteit geldt voor iedereen (wit, zwart, geel, bruin). De belangrijkste voorwaarde daarvoor is het vermogen om in de schoenen van een ander te kunnen stappen, zijn perspectieven te begrijpen en je gedrag daartoe te verhouden. Dat vermogen heet empathie. Daar is geen WRR-rapport voor nodig, ík zeur er alleen over: ‘(on)gewone, (niet) normale Nederlanders’, leer je landgenoten kennen. Wel op de juiste ontmoetingsplek en met empathie. 

Keyvan Shahbazi is publicist en als cultureel psycholoog verbonden aan de Politieacademie. 

Meer over