Essay Nederlandse taal

Nederlanders, wees trots op de taal van Multatuli

Beeld Zeloot

Sinds zijn komst naar Amsterdam, bijna dertig jaar geleden, verbaast Fouad Laroui zich over het Nederlandse gebrek aan interesse voor de eigen taal en cultuur. Is het minachting of onverschilligheid, vraagt hij zich af.

Kun je van iemand houden die niet van zichzelf houdt? Die vraag stel ik me weleens als ik zie hoe sommige Nederlanders hun taal en cultuur totaal verwaarlozen. Ik houd erg veel van die cultuur, vooral van de Gouden Eeuw, de letterkunde – met een voorkeur voor W.F. Hermans, de geschiedenis, de taal. Maar soms voel ik me hierin een beetje alleen. Enkele weken geleden woonde ik een vergadering bij op de faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Onder de acht aanwezigen was een Duitse student die gebrekkig Nederlands sprak. Als één man schakelden de overige collega’s (allen Nederlanders) over op het Engels. Slechts één persoon weigerde aan deze komedie mee te doen en bleef Nederlands spreken: ik. De Marokkaan.

Ik ben in 1990 in Amsterdam aangekomen om te werken voor de Stichting Economisch Onderzoek van de Economische Faculteit van de UvA. Ik sprak destijds geen woord Nederlands. Maar aangezien ik was aangesteld om te werken op een door de Europese Unie (destijds nog Europese Gemeenschap) gefinancierd project, was dat geen enkel probleem. Bovendien moest ik voor mijn werk vaak naar Brussel, waar ik samenwerkte met een kleine groep Franse economen. Kortom, Nederlands was niet van nut.

Toch ben ik, zodra ik was aangesteld, Nederlands gaan leren. Allereerst omdat ik van mening ben dat je sowieso nooit een kans moet laten liggen om een taal te leren. Bovendien vind ik het van respect getuigen ten minste te proberen de taal te spreken, hoe gebrekkig ook, van het land waar je je vestigt. Het probleem was hier echter dat niemand zat te wachten op zo’n inspanning door een buitenlander. (Ik moet eraan toe voegen dat dit zich begin jaren negentig afspeelde, dus lang voordat inburgeringscursussen werden geïntroduceerd.) Nederlanders vonden het klaarblijkelijk normaal dat iemand hier jaren woont en zich ertoe beperkt met iedereen Engels te spreken. Het was dus lastig een taal te oefenen waarvan ik mijn best deed de basis te leren, aangezien mijn gesprekspartners (collega’s, caissières in de supermarkt, NS-medewerkers...) mij systematisch in het Engels antwoordden.

Ik vermoed dat sommigen dat deden om te laten zien dat ze de taal van George Bush  beheersten, terwijl anderen het automatisch deden zonder zich af te vragen waarom. Op een gegeven moment vroeg ik aan een collega of Nederlanders eigenlijk wel trots waren op hun taal. Hij keek me ronduit verbouwereerd aan. Trots? Hoe kon je nou trots zijn op een taal, dat sloeg toch nergens op? Ik, die zes jaar in Frankrijk had gewoond, zei vervolgens maar niets. 

Toch was mijn vraag zo gek nog niet. Taal is niet alleen een simpel werktuig, het is ook een cultureel gegeven. Bij gelegenheid schieten mij zo veel zinnen of verzen te binnen, vruchten van mijn Franse opleiding... Het beroemde ‘Qu’il mourût!’ van de oude Horace van Corneille, de ongelooflijke uitsmijter van het gedicht van Victor Hugo dat eindigt met ‘L’oeil était dans la tombe et regardait Caïn’, het begin van de Mémoires van generaal Charles de Gaulle: ‘Toute ma vie, je me suis fait une certaine idée de la France’. Ik vond het dus heel normaal dat een Fransman trots was op zijn taal, zoals een Engelsman dat is op de taal van Shakespeare, en een Spanjaard op die van Cervantes.

Fouad Laroui. Beeld ANP

Aangezien ik de taal van Ruud Lubbers (de toenmalige premier) wilde leren, nam ik me voor ook zijn cultuur te leren kennen – niet die van Lubbers, van wie ik niet zo veel wist, behalve dat hij een tot de politiek bekeerde ondernemer was, maar die van zijn land. Ik herinner me dat ik aan een van mijn collega’s, Jan Willem, vroeg of hij voor mij een lijst met tien meesterwerken uit de Nederlandse literatuur wilde opstellen. Ik wilde ze echt allemaal lezen. Hoewel hij het maar een gek idee vond – het kenmerkende van meesterwerken is juist dat iedereen ze kent maar niemand ze leest – voldeed hij met genoegen aan mijn verzoek. De volgende ochtend overhandigde hij me op kantoor een lijst, die ik helaas verloren ben, maar waarvan ik me herinner dat die Camera Obscura van Hildebrand bevatte, Multatuli natuurlijk, De avonden van Gerard Reve, De donkere kamer van Damokles enzovoorts. Het heeft me tijd gekost, wel twee decennia, maar ik heb ze allemaal gelezen.

Terug naar Lubbers. Iemand vertelde mij ooit een hilarische anekdote over hem. Het verhaal is waarschijnlijk apocrief, maar geeft heel goed een probleem weer dat inherent is aan het gebruik van het Engels. Je kunt urenlang in English praten, maar in hoeverre beheers je de taal vervolgens in finesse? Het verhaal wil dat Lubbers een welkomstrede hield voor een gezelschap van Amerikaanse zakenlieden. Die toespraak had hij in de taal kunnen (of moeten?) houden van het land dat hij vertegenwoordigde, terwijl iemand voor een simultaanvertaling zorgde. Daar zijn tolken immers voor. Maar nee, Lubbers sprak potverdorie Engels – who needs a translator? Om de zakenlieden aan te moedigen te komen investeren in de polder gaf hij – terecht – hoog op van de deugden van Hollandse ondernemers. Of zoals Lubbers die noemde: undertakers. De Amerikaanse zakenlui hoorden dus, tot hun verbijstering, een regeringsleider die de loftrompet stak van lijkbezorgers. Ongetwijfeld hebben ze elkaar met gefronste blikken aangestaard: ‘Wordt van ons verwacht dat we in dit marktsegment investeren? Hebben ze in dit land soms een hoog sterftecijfer?’

Natuurlijk is deze anekdote te mooi om waar te zijn. Maar, zoals we van de Italianen weten: se non è vero, è ben trovato. Dit verhaal geeft inzicht in de valkuilen als we pretenderen vloeiend Engels te spreken omdat we omringd zijn met films, televisieseries, toeristen en hits die ons voortdurend in het Engels zinnen toelispelen. Maar wie spreekt er, als we ons van die taal bedienen? Ik heb collega’s gekend die zich in het Nederlands uiterst subtiel konden uitdrukken maar die, zodra ze naar het Engels overschakelden, als Blackadder begonnen te spreken of, erger nog, als Mr. Bean – die in feite helemaal niks zei. Als ikzelf een college in het Engels moet verzorgen – en ik heb er heel wat gegeven, aangezien eenderde van mijn onderwijsaanstelling was ondergebracht bij de afdeling ‘Media Studies’ – stap ik na afloop altijd ontevreden het collegelokaal uit. Ik heb dan het gevoel dat ik lomp, te streng en te weinig subtiel ben geweest.

En dan te bedenken dat ik drie jaar, van 1995 tot 1998, in Engeland heb gewerkt, eerst in Cambridge en vervolgens in York, waar ik research fellow was. Het was een complete onderdompeling, want drie jaar lang heb ik alleen maar Engels gesproken en Engelse boeken en lokale kranten gelezen. Uiteindelijk ben ik in het Engels gaan denken. Op het eerste gezicht heb ik dus geen enkele moeite om in die taal onderwijs te verzorgen; maar toch blijf ik altijd zitten met een gevoel van onbehagen.

Waarom toch? Lange tijd geloofde ik dat het slechts een kwestie was van woorden. Als mij, tijdens een college, een term in het Frans of Nederlands te binnen schoot, werd ik – mentaal – gedwongen deze in het Engels te vertalen, iets wat op den duur vermoeiend is. Van de andere kant, die vertaling was vaak bij benadering. 

Een voorbeeld. Onlangs gebruikte ik in een tekst de Franse term comminatoire. Als ik die meteen in het Engels had moeten vertalen, tegenover studenten, had ik menacing of threatening moeten zeggen. Maar die twee woorden zijn iets te sterk voor comminatoire, dat een bepaalde terughoudendheid in bedreiging impliceert. Die nuance gaat dan dus verloren.

In York had ik een Japanse collega, Aki, die zojuist uit haar land was overgekomen en overal en altijd het woord friend gebruikte. (Dit was twintig jaar voordat Facebook het mooie en ontroerende begrip ‘vriendschap’ definitief de nek omdraaide.) Ik veronderstel dat Aki in het Japans de twintig nuances kende die onderscheid maken tussen eenvoudigweg ‘kennis’ en iemand die voor je door het vuur gaat. Maar haar Engels walste alle nuances plat tot ‘friend’, wat vervolgens dus helemaal niets meer betekende.

Beeld Zeloot

Nu zouden we kunnen tegenwerpen dat deze Aki na een paar jaar alle nuances van het Engels onder de knie zou hebben gekregen en dat daarmee het probleem uit de wereld zou zijn. Ze zou haar onderwijs met elegantie en precisie hebben kunnen verzorgen, misschien zelfs wel met het Yorkshire-accent. Dat is maar de vraag. Zelfs de simpelste vertaalproblemen verhullen namelijk een ander, wat dieper weggestoken probleem. De meeste handboeken taalkunde beginnen met een heel belangrijke opmerking, namelijk dat taal de wereld niet beschrijft maar een wereld schept. Taalwetenschapper Ferdinand de Saussure merkte eens op dat taal twee geheel willekeurige onderverdelingen maakt: uit de amorfe massa aan indrukken die zich vanuit de werkelijkheid aan ons opdringen selecteren we ‘dingen’ en ‘feiten’, en daarnaast onderscheiden we spraakklanken uit een eindeloze variatie aan geluiden. Vervolgens doen we ons best een verband te leggen tussen deze verzameling klanken en de dingen.

Maar als elke taal een wereld creëert, wat is dan de betekenis van de handeling die ons in staat stelt van een taal over te gaan op een andere taal? Simpelweg dit: dat we van een wereld die ons bekend is en die we met veel moeite hebben opgebouwd – vanaf het moment dat we als kind brabbelden tot de laatste puntjes op de i die we hebben gezet met hulp van schrijvers en denkers uit onze talige omgeving – emigreren, zonder bagage of middelen, naar een volstrekt vage wereld waar de dingen onduidelijke contouren hebben en waar we niet goed weten wat we zeggen. En waarvan we evenmin weten of het klopt wat we zeggen, zou de Britse filosoof Bertrand Russell hebben toegevoegd.

En dit is precies de reden waarom ik nog altijd verbijsterd de ontwikkeling gadesla die de Nederlandse universiteiten als het ware meesleurt richting onderwijs in het Engels. Wat betreft de exacte wetenschappen kan ik me hier alles bij voorstellen. Zelfs in Frankrijk, waar het zowat illegaal is om in een andere taal dan die van Voltaire onderwijs te geven, heb ik in de oude École Polytechnique in de rue Descartes te Parijs, wiskundecolleges in het Engels gevolgd. Astrofysica in de taal van Edwin Hubble, waarom ook niet? Een ster is een ster is een ster.

Toch heeft het er alle schijn van dat ik binnenkort de Franse taal en literatuur in het Engels moet opdienen. Als dit van mij wordt geëist, zal ik het doen, onthutst. Hoe zal ik de beroemde zinsnede van Lodewijk XIV, ‘L’État, c’est moi’, vertalen? ‘The state, it is me’, of ‘I am the state’? – in beide gevallen hoor ik de stem van de Zonnekoning nergens. En moeten mijn collega’s van de afdeling Geschiedenis in het Engels lesgeven over Thorbecke of Colijn? In zijn laatste interview, dat postuum in de Volkskrant verscheen, zei prins Bernhard: ‘Men mag mij zien als een deugniet, maar niet als iemand die niet deugt.’ Veel succes met de vertaling van die uitspraak... En het wordt nog komischer als een Nederlandse docent zijn Nederlandse studenten deze zin in het Engels voorlegt.

Ik weet niet of Nederlanders die zo makkelijk naar het Engels overschakelen hun eigen taal minachten, of dat ze simpelweg niet goed over deze kwestie hebben nagedacht. Hoe dan ook, ik zou hun willen meegeven dat een natie die haar eigen taal negeert, tevens het dierbaarste in zichzelf verwaarloost.

Een uitgebreidere versie van dit artikel is opgenomen in de bundel Against English. Pleidooi voor het Nederlands (Uitgeverij Wereldbibliotheek), die op 14/11 verschijnt, met bijdragen van o.a. Özcan Akyol, Piet Gerbrandy, Stine Jensen en Ad Verbrugge.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden