Opinie Kunstmatig afkoeling van de aarde

Nederland moet zich mengen in wetenschappelijke discussies over climate engineering

Nederland moet het debat aangaan over kunstmatige ingrepen in het klimaatsysteem en de risico’s ervan gaan onderzoeken.

Een klimaatmars door Brussel, op 31 maart van dit jaar. Beeld BELGA

Als we doorgaan zonder op korte termijn ingrijpende maatregelen te nemen, gaan we de internationale afspraken om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 tot 2 graden niet halen, zo bleek recentelijk uit de doorrekening van het Nederlandse klimaatakkoord en uit de berekeningen op mondiale schaal van het VN-Milieuprogramma. Maar of een volledige energietransitie wereldwijd op tijd nog mogelijk is, blijft − gezien de weerstand in veel landen − nog een open vraag.

Sommige klimaatdeskundigen stellen daarom voor om naar mogelijkheden te zoeken om onze planeet met technologische toepassingen weer kunstmatig te laten ‘afkoelen’. Climate engineering, zoals dit ingrijpen in het klimaatsysteem heet. CO2 uit de lucht filteren met enorme machines of snelgroeiende planten en vervolgens ondergronds opslaan. Of de aarde een tijdlang enkele graden laten afkoelen door fijnstof vanuit speciale vliegtuigen de dampkring in te brengen, waardoor zonlicht op grote hoogte weerkaatst, net als bij een vulkaanuitbarsting. Maar dit is zeker niet onomstreden.

Terwijl wetenschappers van onder meer Harvard volop onderzoek doen naar dit soort interventies en de mogelijkheid om deze te gaan toepassen, zijn er grote twijfels of climate engineering überhaupt een wenselijke strategie is. Ten eerste zouden deze technieken het probleem slechts verplaatsen. Als we de aarde door fijnstof de dampkring in te brengen enkele graden zouden kunnen afkoelen, dan blijven de prikkels uit om het onderliggende probleem op te lossen door bijvoorbeeld een wereldwijde energietransitie.

Grote risico’s

Bovendien zou het ons en toekomstige generaties afhankelijk maken van het grootschalig toepassen van technologieën die we nog niet volledig begrijpen. En het allerbelangrijkste: alle vormen van climate engineering brengen grote risico’s en onzekerheden met zich mee. Zo kan de fijnstoftechniek regionale weerpatronen ingrijpend veranderen, maar hoe precies is moeilijk in te schatten. Als hierdoor het moessonsysteem, waarvan miljarden mensen afhankelijk zijn, zou veranderen, zou dat zeker armere landen extra kwetsbaar maken. Als koolstofdioxide met snelgroeiende planten uit de lucht gefilterd wordt, dan zouden de grote landbouwgebieden die we hiervoor nodig hebben, moeten concurreren met grond voor het verbouwen van voedsel.

Ondanks de grote risico’s en onzekerheden over deze technieken bestaan in internationaal verband nog geen regels over hoe we ze al dan niet zouden mogen gebruiken. Wie mag straks beslissen over het beginnen met het toepassen van zo’n techniek? En wie is er bijvoorbeeld verantwoordelijk als het misgaat?

Mondiaal onderzoek

Na jaren van discussies in beperkte expertkringen is het internationale debat hierover nu sterk opgelaaid. Afgelopen maand heeft Zwitserland met twaalf andere landen bij de Verenigde Naties een voorstel ingediend voor een mondiaal onderzoek naar de verschillende technologieën voor climate engineering. Maar onder meer de Verenigde Staten en veel olieproducerende landen hebben het voorstel geblokkeerd.

Hiermee is climate engineering wel formeel onderdeel geworden van de internationale milieupolitiek. Toch heeft Nederland nog geen duidelijk standpunt ingenomen over climate engineering als mogelijke oplossing voor klimaatverandering. Het is cruciaal dat ook Nederland – nota bene een van de landen die het kwetsbaarst zijn voor klimaatverandering – op korte termijn de discussie voert en onderzoeksprogramma’s opstart waarmee we onze insteek en onderhandelingspositie in dit opkomende internationale debat kunnen bepalen.

In de internationale discussies die we hierover moeten gaan voeren, is ook een sterkere inbreng van ontwikkelingslanden cruciaal. Zij zijn bijzonder kwetsbaar voor de risico’s van dit soort grootschalige ingrepen in het klimaatsysteem. Bovendien hebben ontwikkelingslanden onvoldoende aanpassingsvermogen mocht er iets misgaan. En toch staan juist deze landen grotendeels buiten de debatten hierover, simpelweg omdat ze kennis en onderzoekscapaciteit missen.

Invloed

Recent onderzoek van de Universiteit Utrecht heeft aangetoond dat experts uit ontwikkelingslanden bijna nooit betrokken zijn bij wetenschappelijke discussies over climate engineering, en dat hun belangen vaak niet worden meegenomen in dit soort onderzoeksprojecten. Nu komt er met deze discussies in de Verenigde Naties een kans voor ontwikkelingslanden om voor het eerst invloed uit te oefenen op dit cruciale onderwerp.

Climate engineering klinkt als science fiction. Maar inmiddels is het tot een serieus onderwerp in het mondiale klimaatdebat geworden. De hoogste prioriteit is en blijft zonder twijfel dat we de uitstoot van broeikasgassen verminderen. Maar als we de doelen uit het klimaatakkoord van Parijs niet halen, zal de roep om dergelijke technologische programma’s luider worden. Nederland moet hier ook een politiek antwoord op hebben.

Frank Biermann is hoogleraar Global Sustainability Governance aan de Universiteit Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.