interviewjames kennedy

Nederland mag best wat minder hard werken

Het arbeidsethos in Nederland lijkt meer op dat van de Amerikanen dan we denken, stelt historicus James Kennedy. En de nadruk op werk, werk en nog eens werk in onze participatiemaatschappij heeft een keerzijde: het sluit mensen uit.

James Kennedy is hoogleraar ­moderne Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Beeld Jiri Büller
James Kennedy is hoogleraar ­moderne Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.Beeld Jiri Büller

In de zomer van 1983 verbleef James Kennedy, destijds nog Amerikaans historicus in opleiding, enige maanden in Nederland, het geboorteland van zijn moeder. Dat land stond er niet florissant voor – zeker niet in de ogen van een jongeman die in de orthodox-protestantse gemeenschap van Orange City (Iowa) was opgegroeid te midden van mensen voor wie werk een opdracht van God was. Dat ethos leek men in Nederland te hebben afgelegd. De werkloosheid bedroeg er zo’n 12 procent en tot verbazing van de jonge James Kennedy ervoeren veel Nederlanders in zijn omgeving dat niet als een probleem. ‘Ik vond dat niet flink’, zegt hij. ‘Nederlanders leken een facultatieve houding tegenover arbeid te hebben aangenomen: waarom zouden ze werk als plicht ervaren als er toch geen werk was voor iedereen?’

In de kassen van het Westland, waar hij als seizoensarbeider paprika’s oogstte, had het gros van zijn collega’s een Noord-Afrikaanse achtergrond. Hijzelf kon dit niet rijmen met de massawerkloosheid van dat moment, maar die opvatting was geen gemeengoed in het Nederland van 1983. De econoom Bob Goudzwaard meende dat volledige werkgelegenheid niet langer nastrevenswaardig was in een economie die moest worden beteugeld. De hoogleraar sociale geneeskunde Jan Pieter Kuiper meende dat ‘slapen, reizen, eten, bankwerken, weven, vrijen of inkopen doen’ voor de ‘persoonlijke menswording’ niet minder belangrijk waren dan geregelde arbeid. En de Nederlandse Bond Tegen Arbeidsethos (NBTA) prees onder de leuze ‘ontheilig de arbeid!’ een verlokkende toekomst met ‘miljoenen werkvrije mensen aan’.

Bij een jongeman die in Orange City was gesocialiseerd, wekten die opvattingen bevreemding – zelfs enige ergernis. ‘Ik stoorde mij nogal aan het begrip ‘passende arbeid’, dat hier in zwang was geraakt. Werklozen vonden het doodnormaal om een baan af te wijzen die niet bij hen paste. Ik was ervan overtuigd dat Nederland zich de luxe van die houding niet kon veroorloven. Ook vond ik die houding moreel verwerpelijk.’

Over de huidige arbeidsmoraal in Nederland – waar hij al sinds 2003 woont en werkt, momenteel als hoogleraar moderne Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Utrecht – oordeelt Kennedy beduidend positiever. De Nederlanders zijn teruggekomen van de dwalingen waarvan hij in 1983 getuige meende te zijn. ‘Het zijn in de regel opgewekte mensen die graag hun werk doen, die leveren wat ze hebben toegezegd, die van een goede werksfeer houden, maar voor wie werk ook niet het allerbelangrijkste is in hun leven.’ Tezelfdertijd zijn de Amerikanen meer gaan werken: zo’n 1.800 uur per jaar, tegenover 1.400 uur voor de gemiddelde Nederlandse werknemer. ‘In reële termen verdienen zij minder dan hun voorgangers uit de jaren zeventig, terwijl ze vijf weken per jaar meer werken.’

De Amerikaanse ‘gezinswaarden’ hebben te lijden onder de toenemende ‘werkcentraliteit’, vindt Kennedy. ‘Ondanks zijn reputatie als sociaal progressief land is Nederland voor mij – veel meer dan het conservatieve heartland van Amerika – het land van traditionele familiewaarden. Misschien zijn het juist Amerikanen die lui zijn, die argeloos hun dag verspillen door veel uren te maken en toch matig te presteren. Uiteindelijk ben ik dan ook tot de conclusie gekomen dat Nederlanders een beter arbeidsethos hebben dan Amerikanen omdat het evenwicht kent. Ze zijn gelukkiger, productiever en beter in balans.’

De voortschrijdende inzichten van James Kennedy over het Nederlandse arbeidsethos hebben hun weerslag gevonden in het essay Aan het werk, dat is verschenen ter gelegenheid van de Maand van de Geschiedenis (die sinds 2004 jaarlijks in oktober wordt belegd). Hierin beschrijft hij hoe de relatie van de Nederlander met (betaalde) arbeid zich sinds 1945 heeft ontwikkeld. Daarbij poneert hij verrassende inzichten.

Zo was het, aldus Kennedy, niet eens vanzelfsprekend dat de Nederlanders na de Duitse bezetting energiek de handen uit de mouwen staken. De voorgaande jaren waren zij tewerkgesteld of hadden zij geprobeerd om aan deze arbeidsdwang te ontkomen. Daardoor zouden zij vervreemd zijn geraakt van ‘waardige arbeid’. Temeer omdat die hun ook vóór de oorlog, tijdens de Grote Depressie, was onthouden. Zij moesten zich dus weer het credo van de evangelist Johannes de Heer eigen maken: ‘Werk, want de nacht zal komen, werk van den morgen aan. Laat niet in wufte dromen, ’t ochtenduur vergaan.’

Tijdens de wederopbouw herkreeg noeste arbeid echter snel zijn oude eerbiedwaardigheid. Werk gold als roeping in het persoonlijk leven en als plicht tegenover de samenleving. Dat de meeste Nederlanders zich daarvan terdege bewust waren, bleek uit hun snel stijgende arbeidsproductiviteit. Daarmee schiepen zij – zonder dat zij zich daarvan bewust waren, of het zelfs maar ambieerden – ruimte voor vrije tijd, een luxeartikel waarmee velen zich aanvankelijk geen raad wisten.

Achteraf kan worden vastgesteld dat de periode waarin werk een schaars goed was – de tijd waarin de jonge James Kennedy zijn eerste werkervaring opdeed in Nederland – de eredienst voor de arbeid slechts kortstondig heeft onderbroken. Want toen Kennedy zich in 1991 voor langere tijd in Nederland vestigde, trof hij een bedrijvige samenleving aan waarin iedereen die hij kende aan het werk was, of op zijn minst ambities in die richting had. Sindsdien heeft het land zich ontwikkeld tot een soepel draaiende banenmachine en ziet ruim 70 procent van de volwassenen arbeid als ‘een maatschappelijke plicht’. 63 procent van de Nederlanders zou volgens het CBS beschikken over een ‘sterk arbeidsethos’, al zijn ze nog altijd selectief in het werk dat zij wensen te verrichten.

Waar komt ons ‘calvinistische’ arbeidsethos vandaan? Inderdaad van het calvinisme?

‘Het heeft een veel bredere culturele inbedding. Inderdaad: voor Calvijn was arbeid een vorm van seculiere ascese. Een manier om buiten de kerk dichter bij God te komen. Maar dat wil niet zeggen dat het een product van het calvinisme was. Streken waar het rooms-katholicisme domineerde, hebben met betrekking tot werk een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt, en die tekende zich al af vóór de Reformatie (de breuk van protestantse christenen met de rooms-katholieke kerk in de 16de eeuw, red.). Het arbeidsethos dat we later ‘calvinistisch’ zijn gaan noemen – vreemd genoeg pas in de jaren zestig, toen zowel het strenge arbeidsethos als het calvinisme op z’n retour was – hing samen met de vestiging van centraal bestuurde staten, met de bloei van de internationale handel en met de opkomst van de burgerij.’

Wilde de burgerij zich met haar werklust afzetten tegen de adel, die zich er juist op liet voorstaan níét te hoeven werken?

‘Dat kan onbewust een rol hebben gespeeld. De burgerij moest zelf een positie in de samenleving zien te verwerven en was daarvoor op de eigen inzet aangewezen. Maar ze werd daar ook toe gedwongen, omdat op een zeker moment niet iedereen meer op het platteland in zijn onderhoud kon voorzien. De boeren werden burgers omdat ze van het land werden geschopt, zou je kunnen zeggen.’

Maar op een zeker moment zijn ze harder gaan werken dan strikt noodzakelijk was voor hun levensonderhoud.

‘Ja, werk heeft zich ontwikkeld van een manier om te overleven tot een aanjager van status en een bron van eigenwaarde. Die ontwikkeling ging door toen de ambachtsman tot arbeider werd gereduceerd, die slechts nog onderdeel was van een anoniem productieproces. De arbeider raakte, om het in klassiek marxistische termen uit te drukken, vervreemd van het eigen werk. Toch is hij werk als vorm van zingeving blijven koesteren.

‘Voor de meeste mensen is vervelend werk altijd nog te verkiezen boven een parasitair leven zonder werk. Volgens de antropoloog David Graeber zou de werkgelegenheid in Nederland voor 40 procent uit bullshitbanen bestaan, banen die niet gemist zouden worden als ze zouden verdwijnen. Dit percentage lijkt me aan de hoge kant, maar dat laat onverlet dat voor veel mensen de betekenis van hun baan niet altijd maatgevend is voor de waarde die hun baan voor hen heeft. Mensen willen onderdeel zijn van een sociaal verband. Werk is daarvoor onontbeerlijk.’

In 1983, toen u paprika’s oogstte in een Nederlandse kas, leek die waardering voor werk haar langste tijd te hebben gehad. Hoe verklaart u de omslag van toen?

‘Hier kwamen twee dingen samen: bij werkenden kwam steeds meer de nadruk te liggen op intrinsieke motivatie. De roeping ging, met andere woorden, zwaarder wegen dan de plicht. Toen werk een steeds schaarser goed werd en het er ook niet naar uitzag dat die ontwikkeling tot staan zou worden gebracht, werd een baan toenemend gezien als een optie waarvoor je kon kiezen, maar die je evengoed kon afwijzen. Voor jou honderd anderen, tenslotte. Studenten voltooiden in alle rust hun studie en gingen zich vervolgens beraden op een toekomst mét of zonder werk. Die tijd was voorbij toen werkgevers weer aan hen gingen trekken.’

Hoe is te verklaren dat Europa en de Verenigde Staten uit elkaar zijn gegroeid wat betreft de houding tegenover werk?

‘Daar zijn de historici nog niet helemaal uit. Ook in de Verenigde Staten tekende zich in de jaren zestig en zeventig een tegencultuur af van mensen die wilden breken met de dominantie van betaalde arbeid. Voor hen was de voorspelling van Keynes een verleidelijk perspectief: de toenemende arbeidsproductiviteit zou werkweken van 15 uur mogelijk maken. Maar verreweg de meeste Amerikanen wilden hier niets van weten. Dat kan ook te maken hebben met het ontbreken van een verzorgingsstaat. Daarin heb je niet de luxe om te denken: past deze baan mij wel?’

President Johnson heeft de Amerikanen wel iets van die luxe gegund, maar zijn plannen voor een Great Society waren niet te betalen vanwege de geldverslindende oorlog in Vietnam.

‘Dat de Great Society er niet is gekomen, althans niet in de vorm die Johnson voor ogen stond, is maar ten dele aan Vietnam toe te schrijven. De Amerikanen hebben altijd getwijfeld aan het vermogen van de overheid om hen bij tegenslag te helpen. Amerikanen hebben meer de neiging om uitsluitend op zichzelf te vertrouwen, al was het maar om maatschappelijk succes uitsluitend aan de eigen inspanningen te kunnen toeschrijven, en daarvoor is hard werken nu eenmaal essentieel. Dat is ook een vorm van zelfbedrog, want er zijn meer restanten van de Great Society dan de zelfredzame Amerikanen wensen te zien. Die paradox lag besloten in de strijdkreet waarmee Republikeinen in South Carolina ageerden tegen de verdere afbraak van het stelsel van gezondheidszorg: keep your government hands off my Medicare.’

Roept het feit dat de Amerikanen nu veel harder moeten werken dan hun ouders voor dezelfde levensstandaard dan helemaal geen weerstand op?

‘Zeker, er is wel iets van een discussie gaande, vooral onder jongeren. Zij staan meer open voor de gedachte dat het leven meer moet zijn dan werk alleen. Meer dan hun ouders vragen zij zich af of hun welzijn niet ook in vrije tijd moet worden uitgedrukt en of hun inspanningen wel door de opbrengsten worden gerechtvaardigd. Dit is meer een generatieding dan een politiek thema. Arbeid is nu eens geen thema dat Democraten en Republikeinen van elkaar scheidt.’

Is ‘intrinsieke motivatie’ voor de Nederlandse werkende een belangrijker motivatie dan voor de Amerikaan?

‘Als Nederlanders de betekenis van werk voor zichzelf willen uitdrukken, zullen ze niet snel zeggen: het moet nu eenmaal. Of: ik ontleen daar sociaal prestige aan – zelfs als dat wel degelijk hun drijfveren zijn. Nee: ze hebben het over werk als onderdeel van hun persoonlijkheidsontwikkeling. Als vorm van zelfverwezenlijking. Dat is de enige taal die we er nog voor hebben. Die taal wordt overigens vooral gesproken door hoger opgeleiden, wier werk ook steeds complexer is geworden. De normering leeft minder bij lager opgeleiden. Bij hen is het arbeidsethos in de regel strenger: voor hen is arbeid meer een plicht dan een bron van plezier.’

En hoe zit dat met flexwerkers?

‘Flexwerken heeft uiteenlopende effecten op het arbeidsethos. Voor de een betekent het: zelf bepalen hoe hard en hoe lang je werkt. Voor de ander gaat daar juist de aansporing van uit om er een paar tandjes bij te zetten, soms in de hoop zich daarmee voor een vaste aanstelling te kwalificeren. De onzekerheid voert de druk op, maar niet altijd op een manier die op den duur goed is voor mensen.’

In sommige opzichten lijkt de omgang met werk in Nederland nog te veel op die in de Verenigde Staten, schrijft Kennedy. Net als in de VS is werk niet alleen een manier om ergens bij te horen, het is ook een manier om anderen uit te sluiten. ‘De ‘participatiesamenleving’ met de nadruk op ‘werk, werk, en nog eens werk’ heeft er ook voor gezorgd dat groepen Nederlanders een achterstand hebben opgelopen en niet langer deel lijken uit te maken van de maatschappij.’ Werk scheidt de haves van de havenots. En de eersten wentelen zich in ‘een o-wat-hebben-wij-het-voor-onszelf-goed-geregeld-zelfgenoegzaamheid’ – volgens Kennedy ‘een van de grootste Nederlandse ondeugden’.

‘Ootmoed is een betere uitgangspositie voor het streven naar een rechtvaardige samenleving dan prestatiezucht’, schrijft Kennedy, die daarmee een woord reanimeert dat in de ontkerkelijkte samenleving vrijwel in onbruik is geraakt. Hij vraagt zich af of de Nederlander zich mentaal wel meer van werk heeft losgemaakt dan de Amerikaan. ‘Misschien is het toch beter als we de teugels wat meer kunnen laten vieren, zeg ik nu, als Amerikaan wiens kijk op werk in de loop der jaren behoorlijk is veranderd.’

null Beeld Jiri Büller
Beeld Jiri Büller
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden