ColumnPeter Buwalda

Nederland blijkt een belabberd Beethovenland te zijn

‘Peter’, werd mij op de radio gevraagd, ‘vandaag zou Elvis 85 jaar geworden zijn. Klopt het dat jij een groot fan bent?’

‘Jazeker. Wie niet, hè. Zou ik bijna zeggen.’

(Korte stilte.) ‘Peter, zou jij onze luisteraars kunnen uitleggen wat je nou zo goed vindt aan jouw held?’

Nederland is een beroerd Elvis-land. De klompendragers om me heen denken dat de popmuziek ­begint bij The Beatles. Of pas bij Queen, of zo. Die kant gaat het op, namelijk.

Kijk, niemand kan kiezen waar zijn wiegje staat. Er moeten ook mensen wonen in het land van Peter Koelewijn en The Cats, ik accepteer dat. Maar nu blijkt Nederland ook nog eens een belabberd Beethoven-land te zijn.

‘Beethoven?’, zei laatst een voetbalbestuurder op de radio, ‘nou, geef mij maar Chopin.’ Dit waren geen appels met peren meer, dit was een jonagold met een complete in cellofaan verpakte fruitmand. Zoals Beethoven opzij gezet werd, leek mij erg ­Nederlands, zoiets durft niemand hier met Mozart of Bach. ‘Mozart? Nou, geef mij maar Chopin.’ Nee zeg. Nee. De ijzige stilte die zal vallen. De telefoon die nooit meer zal rinkelen. Geen Sterrenslag, geen Slimste Mens.

In de beschaafde wereld bestaat er geen consensus over de grootste componist ooit, er wordt hardop getwijfeld tussen Mozart, Beethoven en Bach, een soort kwantumtoestand die de waarheid prima uitdrukt: het valt niet uit te maken. Fundamenteel niet.

Het is Beethoven. Maar in Nederland, en ziedaar wederom mijn pijnlijke lot, hoor je ­iedere dag wel ergens: Bach. Bach, Bach, en Bach.

Bach.

Hoe komt dit? Dit komt door Paul Witteman, Ton Koopman en Maarten ’t Hart. Zij ­trekken Bach voor, al heel wat jaartjes.

Ik heb ze hierop aangesproken. Eerst Koopman, lang geleden alweer. ‘Zeg Ton’, zei ik, ‘Beethoven is groter dan Bach, knoop dat in je oren.’ Werkte averechts. ‘Bach is het centrum van alles’, antwoordde hij zwaar ademend, ‘Bach spreekt tot hoofd en hart.’

Witteman is gevaarlijker. Hij heeft de media in handen. Dat schuift niet lekker aan voor een Beet­hoven-man. Hij zal me licht wiegelend aankijken, hij zal zeggen:

‘Nee, Peter.’

Ik zal me tevreden moeten stellen met kleine succesjes. Zo zat ik vorige week met Maarten ’t Hart bij Matthijs van Nieuwkerk, en op tafel lag-ie, de ‘kampioensvraag’. Was Beethoven de grootste? (Zo kom ik op deze column. Omdat wij daar zaten.)

Deden ’t Hart en ik een beetje lacherig over, maar dat was aanstellerij. We vonden het een halszaak. We schrijven er hele brieven over, waarin we overigens beloofd hebben nooit elkaars helden te schofferen.

Ik vind Bach heel goed, bijvoorbeeld. En in ruil daarvoor vindt Maarten Elvis heel goed, bijvoorbeeld.

Dat laatste trof enorm, want het was dus nog altijd Ol’ Sideburns’ verjaardag. Matthijs had een mopje Suspicious Minds klaar staan, speciaal voor mij, heel attent – maar dus ook voor Maarten.

‘Mooi’, zei die, toen Elvis klaar was.

‘Mooi?’, lachte Van Nieuwkerk, ‘Maarten, jij hebt nog nooit iets aardigs over popmuziek gezegd!’

Als antwoord hierop stak ’t Hart zijn wijsvinger op en hief een klinkend It’s Now Or Never aan. Wat een schitterend cadeau! Ik mag hopen dat The King het gezien heeft, ergens. Maarten ’t Hart die een aubade brengt. Ik was er in ieder geval erg blij mee. Erg blij. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden