columnPeter Buwalda

Na het echec met de Venlose Jimi Hendrix zette ik mijn loopbaan als gitaargod voort, wat een wonder was

De blues is als een los zadel.

Als adolescent was ik een gitaarheld. Wilde jaren waren het. Venlo was eind jaren tachtig het brandpunt van de blues, vraag maar eens aan Johan Derksen, die weet dat nog wel. In onze town waren zeker zes gitaargoden actief, allemaal jongens in mijn klas. We speelden in een en dezelfde bluesband, een topzwaar ensemble waarin het vaak uitdraaide op ruzie over wie de solo ‘pakte’.

Gitaarles kregen we van Didi, met recht de Venlose Jimi Hendrix. Hij was voorman van Cops & Robbers, een bluestrio waarnaar mijn klasgenoten en ik heel wat keertjes zijn gaan kijken. Hij bleek in een flatje in de Geresstraat te wonen, waar hij ons voor een tientje een half uur trucs voordeed op zijn ­gitaar.

Op een dag kwam ik Didi zomaar tegen in de Kloosterstraat, voor de Free Record Shop. Ik stond net het slot van mijn fiets te halen. Didi, die leek op Phil Collins, maar dan de outlaw-uitvoering, gaf ter begroeting twee korte rukjes met zijn kin.

‘Hee Didi’, zei ik zo cool mogelijk. Hij deed dus ook gewone dingen, realiseerde ik me met een schok. Tot nog toe stond hij of in café De Splinter het schuim van mijn pils te spelen, of deed me zoals gezegd in zijn flatje nors trucs voor op zijn gitaar.

‘Ga je een plaat kopen?’, vroeg ik, terwijl ik mijn fiets uit het rek trok. Wat ik van plotse opwinding vergat, was dat mijn zadel al een tijdje loszat. Alsof het een hoed was, pakte ik het ding eraf. Het ging zo makkelijk dat ik iets achterover wankelde. Didi en ik keken allebei stomverbaasd naar het zadel dat ik hem onder zijn neus hield.

‘Mijn zadel’, zei ik. Het klonk alsof ik het hem wilde aanbieden, uit devotie.

Didi knikte. ‘Ik zie je dinsdag’, zei hij, waarna hij de Free Record Shop inliep.

Eigenlijk is het een wonder dat ik na dit echec mijn loopbaan als gitaargod voortzette. Sterker, ik gaf juist extra gas, wat alleen de echte doen, natuurlijk. Wel besloot ik mijn gitaar te verkopen.

Dat kwam zo, ik fietste met mijn zadel onder mijn arm naar huis, staande op de pedalen, met soms die punt in mijn reet. Op mijn slaapkamer bekeek ik nog steeds uit het veld geslagen mijn splinternieuwe, spierwitte, uit één stuk plastic gegoten ­gitaar. Het Koreaanse prul had me 500 gulden ­gekost, vijf knisperende snippen die ik van mijn ­ouders had afgesmeekt – maar, zei mijn vader, in plááts van je skireis. (De rest van de klas ging meteen na carnaval skiën in Oostenrijk.)

Zadelgate hakte er ondertussen in, toch. Steeds zag ik Didi’s ontevreden kop voor me. Er lag afkeuring op, ook voor mijn gitaarspel. Misschien was het een dwaling, wereldwijd de beste worden. Ik wilde ineens heel graag op skivakantie. De volgende ochtend bood Arand, de aas van onze band, 375 piek voor mijn nieuwe nepgitaar, bijna genoeg voor de skireis!

Daar zat ik, zonder gitaar, met Jimi en Stevie Ray Vaughan op mijn walkman, Oostenrijk nog lang niet in zicht, natuurlijk. Bij Didi vertoonde ik me niet meer. Ik kreeg er de blues van, moet ik bekennen. Dus toen heb ik mijn eigen gitaar weer teruggekocht, 250 pietermannen, bijeengeschraapt verjaardagsgeld plus krantenwijk. ‘Veel plezier ermee, slowhand’, knipoogde Arand tijdens de overdracht.

Was dat nu een koopje, alles bij elkaar, of niet? Ik kreeg en krijg dat niet uitgerekend, vreemd genoeg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden