columneva hoeke

Moest ik weer zo nodig kindertjes maken met een man die op zondag stukjes schrijft voor de krant van maandag

Eva Hoeke Beeld Aisha Zeijpveld
Eva HoekeBeeld Aisha Zeijpveld

Op het zwaarste punt van de zondag, ergens tussen drie en vier uur ’s middags, dat deel van de dag waarop je als matriarch wel zo’n beetje uitgepuzzeld bent, kwam ik onderweg naar de Vomar een vrouw tegen die ik vaag kende van een eerder praatje. Ze had een rank figuur en een spontane natuur en dook met beide de kinderwagen in. ‘Och kijk nou’, zei ze. ‘Kind, wat een pláátje. En jij ook alweer aan de wandel, zien ik.’ Daarna zei ze wat ze allemaal zeggen, dat ik ervan moet genieten, het is zo snel voorbij, waarop ik dan altijd bevestigend antwoord, want ook dat hoort daarbij.

‘Ja ik dacht, het is nu mooi weer dus dan ga ik maar effe naar buiten’, zei de vrouw toen ze uitgekeken was. ‘Je moet jezelf een schop onder je kont geven, hè? Als je blijft zitten wordt het niks. Gister ging mijn zoon naar Ikea, hij zegt: ga je mee. Nou, als ze me vragen ga ik altijd mee. Maar verder moet je niet aan je kinderen hangen. Dat vind ik. Wat moeten zij met zo’n oud wijf? Nee hoor, die hebben genoeg aan hun eigen. Dus nu ga ik effies naar de Vomar, jij ook zeker? Eerst pakte ik altijd de auto voor de boodschappen, maar tegenwoordig doe ik het lopend, anders ben je weer zo snel weer thuis. En dan duurt het lang hoor, zo’n zondag.’ Toen, met een ironisch stemmetje: ‘Je weet wat ze zeggen: je moet zelf de slingers ophangen!’

Breek me de bek niet open meid, wilde ik antwoorden, ik zit óók elke zondag alleen, want ik moest zo nodig kindertjes maken met een man die op zondag stukjes schrijft voor de krant van maandag, wat door de druk van een afwachtend gezin dan natuurlijk nooit lukt, en zie de dag dan maar eens door te komen in zo’n dorp, alles dicht, niks te doen, en de gelukkige mensen zijn allemaal gelukkig met elkaar, die zitten niet te wachten op vier aanlopertjes, ja, wel een keer maar niet élke keer – dat wilde ik zeggen, maar dat zeg je niet, niet tegen een weduwe.

‘Ik kan me wel vermaken, hoor’, ging de vrouw verder. ‘Ik zit de krant te lezen. Vanmorgen heb ik de wasemkap schoongemaakt, die was vies. Ik denk, ik doe het wel even met de hand, want anders moet ik er de vaatwasser voor aanzetten maar die zat nog niet vol, dat vind ik zonde. In je eentje maak je niet zo veel vies, hè.’

Er kwam een fietser voorbij, de vrouw stak haar hand op.

Daarna kreeg ze iets peinzends in haar blik.

‘Ik heb heus wel vrienden hoor, daar gingen we altijd samen op visite. Maar ook dat verandert, als je alleen bent. Ik weet niet waarom. Eén keer ging de man halverwege de avond gewoon naar boven. Zat ik met háár.’ Ze boog zich weer naar de kinderwagen. ‘Wat is-ie al groot, hè? Dat zie je altijd, dat mannetjes groter zijn.’

‘Het is een meisje’, zei ik, en had meteen spijt van de correctie. Ik dacht aan mijn moeder, die een stukje verderop woont. Misschien daar straks maar even langs wandelen. Het is zo snel voorbij. ‘Nee, die kinderen hebben genoeg aan zichzelf’, zei de oude vrouw nog maar eens.

Ineens kwam er een dwingend geluid uit de kinderwagen. De vrouw keek en sprak moederlijk: ‘Die denkt ook, al dat geouwehoer, ik wil wandelen. En gelijk heeft ze. Stilstand is achteruitgang.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden