Column Peter Middendorp

Misschien moet je eerst trots zijn geweest voordat je met schaamte mag beginnen

Zoals ik op een andere plek in de krant al even kort heb aangestipt, zat ik zaterdagavond na een voetbalwedstrijd in Amsterdam met vijftig ladderzatte supporters van FC Emmen in een late trein terug naar het noorden, samen in de eersteklas-stiltecoupé, want ja – de trein was al overvol, het was de enige plek waar je nog een beetje adem kon halen.

Ze schreeuwden, boerden. Eentje liet een harde scheet, waarna de anderen riepen: ‘Gasaanval! Auschwitz! Auschwitz!’ Om daarna, na een korte stilte, die even op bezinning had geduid, op te schrikken: ‘Oh, er zitten oude mensen in de trein! Sorry voor Auschwitz hoor! Sorry voor Auschwitz! Sorry voor Auschwitz, oude mensen in de trein!’

Ik begon me te schamen, plaatsvervangend, voor de logge, luidruchtige hompen dronkenschap die zich als liefhebbers van mijn FC over de stoelen, banken, vloer en passagiers hadden gevleid. Ik had me nog niet eerder voor Emmen geschaamd, het was de eerste keer. Misschien moest je eerst trots zijn geweest voordat je met schaamte mocht beginnen.

Na een tussenstop, toen een typische eersteklas-stiltecoupéreiziger de trein in liep, die duidelijk op het eersteklas-stiltecoupécomfort gerekend had, en ik het afgrijzen zag op zijn gezicht, begon ik me alweer te schamen. Want ja, ik was zelf ook een beetje een eersteklasreiziger. Eerlijk was eerlijk. Toen er eentje op mijn armleuning zat, die vergat dat ik passagier was, geen leuning, en die tussen Utrecht en Zwolle elk moment een scheet kon laten, keek ik af en toe ook uit mijn ogen als een eersteklascitroen.

Het was gek. In korte tijd had ik me nu al twee keer geschaamd, terwijl ik zelf nog niets verkeerd had gedaan. Dat kwam later pas, bij het uitstappen in Zwolle, toen de mensen kreunden – ‘Wat een volk. Wat een krankzinnig volk. Je zult maar uit Emmen komen!’ – en ik verzuimde om gewoon als mezelf te zeggen: ‘Ik kom uit Emmen!’ En, met een knipoog naar Reve, dat kon wel in de eerste klas: ‘Ik heb erover geschreven ook!’

En in Zwolle, waar een agent mij, een nietsvermoedende, wachtende passagier op het station, ineens ‘bij de rest van de mannen’ wilde vegen, hoorde ik mezelf van de weeromstuit zeggen: ‘Hee, ik reis alleen, hoor.’ En was ik niet trots op mezelf. Niet dat ze het merkten, maar als het uitkwam, verloochende ik die zatte lui waar ze bij stonden.

Twee identiteiten in een borst, en op momenten dat het erom ging nooit eens de goeie bij de hand. De vraag rees waar ik bleef in dit verhaal. Wat ik hieraan had, wie ik was. Waar hoorde ik bij, waar was ik thuis – aan welke kant van de IJssel? Ik opende een blikje bier van de jongens en nam een goeie slok. Was ik wel ergens thuis?

Of was het meer zo, dacht ik later – de trein naar Groningen werkte altijd verhelderend – dat ik juist overal wel thuis was, altijd, behalve op de momenten dat de meest uitgesproken vertegenwoordigers uit beide werelden elkaar tegenkwamen. Dan had ik juist geluk. In het maatschappelijke debat was het misschien een ander verhaal, hier ook, op deze pagina’s, maar in het echt gebeurde het bijna nooit. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.