Column Jasper van Kuijk

Misschien ben ik wel Zweedser dan ik altijd heb gedacht

Ik noem mezelf niet half Zweeds. Ik heb wel een Zweedse moeder, maar half Zweeds of Zweedse Nederlander: nee. Als Nederland tegen Zweden voetbalt, zit ik klaar in een oranje shirt. Het is hoogstens een geruststellend idee dat mócht Nederland verliezen, ik de rest van het toernooi altijd nog dat doorgaans vrij afzichtelijke scandi-catenaccio kan aanhangen. Pippi Langkous vind ik irritant en Abba een kutband en geen cultband. Zo, dat is eruit. Verder ben ik – in tegenstelling tot de meeste Zweden – vrij direct en uitgesproken.

Natuurlijk, ik héb wel Zweedse eigenschappen. Ik ben blond, rij Volvo en zet met kerst zonder enige schaamte van die lichttrapjes in de vensterbank. Ik bak zelf Zweedse zoete broodjes en kom altijd bij Ikea vandaan met meer Zweeds voedsel dan meubels en woonaccessoires. En iedereen weet dat je bij Ikea sowieso met meer meubelmeuk naar buiten loopt dan je van plan was: ‘Kom we gaan even een vaas halen. O, kijk nou wat een leuke nieuwe keuken, doen we dat toch?’ Bij mij komen daar dus ook nog een paar tassen bij met Zweeds tunnbröd, perencider, bieslookchips, ongepelde garnalen en zelfs matjesil (gefermenteerde haring). En net als de meeste Zweden snap ik eigenlijk niet waar die obsessie met blonde vrouwen, en dan specifiek met het Swedish Bikini Team, vandaan komt.

Maar echt half Zweeds, nee. Ik ben ook niet tweetalig opgevoed. Mijn ouders hadden gekozen om ons te laten opgroeien in Nederland en dus wilde mijn moeder thuis met het hele gezin Nederlands praten. Overigens heeft ze toen ik 3 was alsnog een poging gedaan om Zweeds met me te gaan praten, maar dat stuitte op een ‘doe niet zo gek mam’ van mijn kant. Die Nederlandse directheid zat er al vroeg in. Ik leerde uiteindelijk Zweeds praten tijdens de zomervakanties bij familie. En dan vooral toen ik op mijn 8ste in mijn eentje op het vliegtuig werd gezet naar een tante die als instructie had gehad: ‘geen Engels met hem praten, alleen Zweeds’. Drie weken later stond er tijdens mijn terugvlucht op het zakje dat je bij SAS als ‘unaccompanied minor’ om je nek kreeg ‘Languages: Dutch/Swedish.’

Als een van je ouders een bepaalde nationaliteit heeft, voel je je denk ik nog niet per se half iets. Half Zweeds, of half Engels, of half Marokkaans. Wanneer dan wel? Misschien als ik in Zweden geboren zou zijn, er langer zou hebben gewoond dan de vier maanden van mijn stage, tweetalig zou zijn opgevoed, of als mijn beide ouders Zweeds zouden zijn geweest en ik in Nederland zou wonen? Dan eventueel. Maar dat is allemaal niet het geval.

Dus heb ik het altijd gehouden op ‘mijn moeder is Zweeds’. Dat beschrijft de situatie toch het best en is feitelijk ook wat er aan de hand is. Maar nu woon ik in Zweden en merk ik hoe ik me thuis voel. Bij het landschap, het leven en de manier van doen. Hoe Zweden me aankijken als ik begin te praten en dan zeggen: ‘Maar jíj bent niet voor het eerst hier…’ Dat doet me wat. Misschien ben ik wel Zweedser dan ik altijd heb gedacht.

Toch zal ik me nog steeds niet half Zweeds noemen. Maar dat is vooral omdat ik me, door mijn verblijf hier, steeds meer realiseer hoe dat half [vul-nationaliteit-in] een vrij jammere uitdrukking is. Het suggereert dat je twee dingen half bent. Terwijl, ik voel me helemaal Nederlands, maar óók voor een deel Zweeds. Dat voelt niet als twee helften, maar als twee invloeden, waarvan ik steeds meer het gevoel krijg dat het samen optelt tot meer dan honderd procent.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden