Mirthe van Doornik dist de narigheid zo terloops op dat die extra hard aankomt

Schrijvers die schrijven over schrijven; het is een onbegrijpelijk ­populair genre dat meestal vervelende lectuur oplevert. Zelfs van Gerard Reve, die ik toch lang als een halfgod ­vereerd heb, kon ik het eigenlijk niet verdragen, laat staan van mensen die na een matig succesvolle debuutroman de rest van hun schrijverscarrière doorbrengen met meta-gepruttel over de kwellingen van de literatuur (en daar in de avonduren lezingen over houden voor literair genootschap ‘Felix susurrans’ te Nijkerkerveen voor 175 euro ­exclusief reiskosten plus 1 nasi rames speciaal en een zwoele blik van de dochter van de penningmeester).

À propos debuutromans: ik las een heel fijne. Moeders van anderen, van Mirthe van Doornik. Twee tienerzusjes, Nico en Kine, groeien op in een buitenwijk, eind jaren negentig, met een gescheiden, drinkende, blowende moeder die in het hippietijdperk is blijven hangen en het leven, laat staan de opvoeding van twee dochters, niet aankan. De zusjes, saamhorig zoals dat vaak gaat in ontwrichte gezinnen, hebben elk hun ­eigen manier om zich door de verwaarlozing, ontreddering en onzekerheid heen te slaan. Kine gebruikt de beruchte ‘humor als noodsprong’-techniek, Nico bezweert haar angstige gevoelens door van akelige nieuwsfeiten (bijvoorbeeld de Bijlmerramp) alle details op te zoeken en uit haar hoofd te leren. Samen sparen ze langzaam maar zeker voor een oude scooter, symbool voor de vlucht uit hun steeds verder aftakelende huishouden. ‘Ik kijk naar de scooter. ‘Ja’, zeg ik. Blijkbaar kun je heel lang sparen voor iets wat mintgroen is.’

De beschrijvingen van de moeder zijn even treurig als kostelijk. ‘Om haar enkel heeft ze een bandje met allemaal kleine belletjes geknoopt, misschien omdat ze denkt dat het Afghaans is.’ Bij moeders mislukte poging om koffie te filteren met een velletje wc-papier; ‘maar het is niet erg, volgens haar drinken mensen in Balkanlanden allemaal ongefilterde koffie en is die koffie zo goed dat je er zelfs de toekomst mee kunt voorspellen.’ Een van de vele vage huisvrienden ‘met wit haar dat boven zijn voorhoofd geel was van de sigarettenrook’ vertelt vol trots dat sommige mensen een pakje per dag roken, ‘maar dat hij wel een aansteker per dag rookt (...) hij had pas een hartaanval gehad en zichzelf gereanimeerd door een harde klap op zijn borstkas te geven. Hij deed voor hoe het ongeveer ging. Met zijn vuist sloeg hij op zijn borst.’

Wie schrijft over een ellendige jeugd komt al gauw in de verleiding om het leed breed uit te meten. Mirthe van Doornik doet dat gelukkig niet. Ze dist de narigheid even terloops op als haar protagonisten die ervaren, en schetst vooral ook het dagelijks leven van de twee tienermeisjes, met vriendjes, baantjes en school, dat in de schaduw van die ontredderde moeder min of meer gewoon doorgaat. Dat doet ze zo geestig en ogenschijnlijk luchtig, dat de tragiek juist extra hard aankomt.

En onder die tragiek van een alcoholische moeder ligt nog een diepere laag: eigenlijk tasten álle ouders, ook die met de beste bedoelingen, meestal in het duister. Voor álle kinderen is opgroeien in zekere zin een heikel, eenzaam traject. Iederéén heeft wel een onaangename seksuele ervaring achter de rug, een geestdodend bijbaantje, een verbroken vriendschap, iederéén kent de melancholieke landerigheid van de puberteit.

Ook voor wie een ‘gewone’ jeugd achter de rug heeft, zal het boek herinneringen door de hersenpan doen ­flitsen en rinkelen als in een flipperkast. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden