ColumnSylvia Witteman

Minosabie – wie had dat meisje die onverschillige naam gegeven?

‘Stadsarchief Amsterdam’ is een gortdroge naam voor een gebouw waar geregeld de fascinerendste dingen te zien zijn. Ik was er heen gegaan voor de tentoonstelling Vondelingen, over het ‘Aalmoezeniersweeshuis’ rond 1800. Mét mondkapje. Omdat ik een heel kleine neus heb kruipt dat ding telkens naar boven, over mijn ogen, zodat ik bijna de trappen van het stadsarchief aflazerde. Nou ja, het was voor de goede zaak.

Terwijl ik de briefjes stond te lezen van de wanhopige moeders die hun kind te vondeling hadden gelegd (het waren er 2 à 3 per dág, alleen al in Amsterdam) stond er bij de ingang een vrouw op luide, bekakte toon ruzie te maken met de suppoost. Ze moest een mondkapje op, en dat wilde ze niet. Ze had overigens een grote, spitse neus, dus dat kan het probleem niet geweest zijn. Haar dochtertje stond zich naast haar kapot te schamen. Ze mochten uiteindelijk tóch naar binnen, de vrouw met een zijden sjaaltje voor haar lawaaiige bakkes.

‘Versoeke dit Kind te laate Doopen Anna Elisabet waar voor op zijn Tijt belooning zal geschieden’, las ik op een hartvormig kaartje, dat om het nekje van een vondeling had gehangen. Gedoopt werden die kindjes meestal wel, waarna ze geregeld jong stierven, aan ‘stuypen’ bijvoorbeeld. Niet alleen vondelingen, trouwens. De zuigelingensterfte lag in Nederland toen rond de 25 procent. Bedrukt bekeek ik een poppig klein, met toewijding gehaakt jurkje, aangevreten door de tand des tijds. Details zijn vaak het aangrijpendst.

Dat laatste bleek ook weer bij de ándere tentoonstelling in het Stadsarchief, Amsterdammers en slavernij. De brieven van Gideon Charles bijvoorbeeld, die als klein jongetje in 1817 achterbleef in slavernij in Suriname, aan zijn vader, inmiddels vrij man in het verre Amsterdam. Pas in 1863 kon Gideon zijn vader schrijven dat ook híj eindelijk was bevrijd: ‘Deze brief diende u te laten weten dat ik en mijne geheele betrekking door mijnheer Box is geëmancipeerd.’

Er was een lange lijst namen te lezen van slavinnen die door de baas van plantage Wederzorg gedwongen waren tot ‘vleeschelijke gemeenschap’. Ana, Mietje, Fortuna, Lisette, Christina, Minosabie... vol ongeloof las ik die laatste naam. Minosabie. ‘Mi no sabie’. Je hoeft geen talenwonder te zijn om te begrijpen wat dat betekent: ‘Ik weet het niet’.

Hoe zat dat? Wie had dat meisje die onverschillige naam gegeven? De eigenaar van de plantage, die te lui, te cynisch of anderszins te schofterig was om een echte naam te bedenken? Of de moeder, die haar dochtertje in het geheim wél een mooie, Afrikaanse naam had gegeven? Had ze daarbij gedacht: ‘Klootzak, jij zult haar échte naam nooit te weten krijgen’?

Minosabie.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden