Opinie Multicultureel

Minister Blok, doe als mijn Turkse kleermaker

Mijn Surinaamse oppas, Ghanese hulp en Indiase mondhygiënist - Stef Blok kan nog wat van ze leren, meent schrijver en onderzoeksjournalist Miek Smilde.

Ouders op het schoolplein in de multiculturele wijk Feijenoord, Rotterdam. Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Of het wel goed ging met mij, vroeg de Turkse kleermaker in 2004, nadat ik 15 kilo was afgevallen. Mijn derde kind moest nog 2 worden en mijn beste vriend had net suïcide gepleegd. ­Wonend in een huis waar ik niet wilde wonen, buffelend in een beroep waarin de tarieven steeds verder ­onder druk kwamen te staan en snakkend naar een dag waarop ik niet ­alleen maar ‘mama’ werd genoemd, werd ik verliefd op iemand anders. Daarover voelde ik me vervolgens heel erg schuldig, want ik had zo’n leuke man en ik wilde helemaal niet een ander. Maar mijn man was het huis en de kinderen en de baan en de tuin en de hypotheek en die ander was het woord op afstand, een belofte dat ik toch kon schrijven in plaats van alleen maar luizenkammen.

De Turkse kleermaker had het feilloos door. ‘Als Nederlandse vrouwen opeens zo veel afvallen, willen ze iets veranderen’, zei hij. Ik vroeg wat. ‘Meestal hun man’, zei hij, en nam mijn broeken aan om ze te laten ­in­nemen.

In die tijd werkte Momien al bij ons. Een Surinaamse vrouw van Hindoestaanse origine, die moslima was. Alleen die combinatie al was genoeg reden haar aan te nemen. Zij was het die overdag de grillen van de peuterpuber onderging, terwijl ze onder­tussen de oudere meisjes naar ballet bracht, jarenlang drie dagen ’s middags bij het schoolplein stond, alle ouders kende, en de buren van wie ik geen idee had wie ze waren. Ze kookte ’s avonds en vouwde soms mijn was, en stelde mij zo in staat vierenhalve dag te blijven werken, omdat een zzp’er geen ouderschapsverlof kent. Zij was het ook die mij aanraadde te gaan verhuizen als ik in de Vinexwijk zo ongelukkig was. ‘Je moet met je muren praten’, zei ze. En ze begreep mij toen ik zei dat met deze muren niet te praten viel.

Wijze mensen

Nu twee kinderen zo goed als niet meer thuis wonen en de jongste een gewone puber is geworden, kookt Momien nog steeds twee keer per week (zij het in een ander huis). Ze herkende mijn verdriet toen mijn ­vader was overleden en wist mij te troosten toen bleek dat mijn man op zijn beurt de weg even kwijt was. Ze zei iets over mannen en vrouwen en het verschil daartussen en prees mijn moederschap. Zelf bracht ze in haar eentje drie jongens groot.

Met het echtpaar dat ons helpt het huis schoon te houden – zij van origine Equadoriaanse, hij geboren in Ghana – praat ik elke week over hun geloof in een onzichtbare helpende hand of hun overtuiging dat iedereen op de wereld gelijk is geboren voor het aangezicht Gods. Wijze mensen met wie ik kan lachen. Met Nederlandse vrienden is dat soms moei­lijker. Mijn vrienden geloven niet in God en vinden het bij voorbaat ­belachelijk als iemand dat wel doet.

En dan is er nog de Indiase mondhygiënist die ik vorige week ontmoette. Hachi, heet ze, wat ‘goede rijkdom’ betekent. Ze was in haar ­geboorteland opgeleid tot tandarts, maar kwam zeven jaar geleden met haar man naar Nederland waar ze ­vervolgens verpieterde in een buitenwijk in Amstelveen.

‘Als ze je begrijpen, zijn Nederlanders aardig’

‘Zonder taal zat ik in mijn eentje vol eenzaamheid’, zei ze op onnavolgbare poëtische wijze, terwijl ze het tandsteen van mijn ­tanden bikte en mij daarna beleefd vermanend toesprak dat ik toch echt beter moest flossen. Dat ze nu als mondhygiënist werkte, en niet als tandarts, vond ze niet erg. ‘Ik wil eerst de taal leren en de mensen. Als ze je begrijpen, zijn Nederlanders aardig’.

Op de lagere school in Almelo waar ik in de jaren zestig en zeventig opgroeide, zat een Turks meisje. Haar ­vader keek een week hoe het toeging op het schoolplein en zei toen tegen zijn dochter, terwijl hij naar mij wees: ‘Doe zoals zij.’ Niet omdat ik mooi, slim, sociaal vaardig of aardig was, maar omdat ik bevoorrecht was. Mijn moeder was rechter, mijn vader was dokter, wij hadden twee auto’s en ik sprak geen Twents.

Ik zou minister Blok willen aanraden kennis te maken met mijn kleermaker, onze oppas, onze hulp in de huishouding en de mondhygiënist. En ik zou hem willen zeggen: ‘Doe zoals zij’.

Miek Smilde is schrijver en onderzoeks­journalist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.