Opinie

Mini-Schengen kan uitweg bieden

Grotere verschillen tussen lidstaten en groeiend verzet tegen 'meer Europa' vragen om nieuwe vormen van samenwerking. Zoals een mini-Schengen.

Een Franse Gendarme (L) staat wacht bij het vliegveld van Montpellier, Zuid-Frankrijk, terwijl passagiers wachten op paspoortcontrole. Beeld afp

De onderhandelingen over de voorwaarden van een voortgezet Brits lidmaatschap van de Europese Unie en de berichten over de vorming van een mini-Schengen trekken de aandacht. Beide gevallen zijn verschillend van aard, maar hebben gemeen dat ze raken aan de vraag hoeveel flexibiliteit er in de Europese samenwerking mogelijk en wenselijk is.

Met de bijna verdubbeling van het aantal lidstaten in een periode van tien jaar is de diversiteit in belangen en opvattingen in de Unie sterk gegroeid. Sommige lidstaten zullen de samenwerking op bepaalde beleidsgebieden willen versterken, terwijl andere pas op de plaats willen maken of zelfs Europese bevoegdheden willen teruggeven aan de nationale hoofdsteden.

Gedifferentieerde samenwerking

Gegeven de uiteenlopende ambities en drijfveren is de oude discussie over speciale samenwerkingsverbanden als het 'Europa van verschillende snelheden' (zelfde einddoelen maar wisselend tempo van realisatie) of het 'Europa met een variabele geometrie' (verschillende einddoelen) weer actueel.

Te voorzien is ook dat onder invloed van deze discussie in de EU meer vormen van gedifferentieerde samenwerking worden geïntroduceerd. In dit verband is het nuttig eraan te herinneren dat al sinds het Verdrag van Amsterdam (1997) voor ten minste negen lidstaten de mogelijkheid bestaat via de zogenoemde nauwere samenwerking bepaalde doelstellingen van de Unie te bevorderen die (nog) niet door de Unie als geheel kunnen worden verwezenlijkt. Tot dusver is van deze mogelijkheid slechts in bescheiden mate gebruikgemaakt.

In een onlangs verschenen advies, Gedifferentieerde samenwerking - Verschillende routes in de Europese samenwerking, heeft de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) zich gebogen over de gevolgen van gedifferentieerde samenwerking voor onder meer de cohesie van de EU.

De AIV ziet deze vorm van samenwerking als uitvloeisel van een nieuwe politieke werkelijkheid, niet alleen van toegenomen verschillen tussen de lidstaten, maar ook van groeiend verzet binnen sommige lidstaten tegen meer Europa. Deze werkelijkheid vraagt om een pragmatische benadering waarbij resultaat en niet de zuiverheid in de leer van een eenvormige ontwikkeling van de integratie voorop dient te staan.

Tegen een veelvuldiger gebruik van het instrument van gedifferentieerde samenwerking behoeft dan ook geen bezwaar te bestaan, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Zo mag aan de kernwaarden van de EU niet worden getornd, evenmin aan de doelstellingen van de interne markt en het vrije verkeer van personen.

Ook moet bij de besluitvorming over onderwerpen die door een beperkt aantal lidstaten worden behartigd, zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van de bestaande EU-instellingen. Alleen in noodsituaties, zoals tijdens het dieptepunt van de monetaire crisis, zou gebruik mogen worden gemaakt van intergouvernementele verdragen.

Daarnaast is het van groot belang vast te leggen dat gedifferentieerde samenwerking niet ten koste mag gaan van de lidstaten die niet wensen mee te doen. Dit is aan de orde bij mogelijke plannen om tot een verdieping van de EMU-samenwerking te komen.

Vooral in Groot-Brittannië bestaat de vrees dat door dergelijke plannen de belangen van de Londense City in het gedrang kunnen komen. Vandaar ook de Britse eis dat de integriteit van de interne markt niet mag worden aangetast.

Interessante testcase

De gedachte aan de vorming van een mini-Schengen, waarbij een beperkt aantal lidstaten (Nederland, Duitsland, België, Oostenrijk en Zweden) gemeenschappelijk zijn buitengrenzen in een kleiner gebied dan de EU als geheel bewaakt, is een interessante testcase van gedifferentieerde samenwerking. Een dergelijke constructie doet stellig afbreuk aan het idee dat alle EU-lidstaten verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van een fatsoenlijk asielbeleid.

Uit een oogpunt van eerlijke lastenverdeling is het bijna een gebiedende eis dat elke lidstaat daaraan meedoet. De bijzondere positie van de niet-Schengenlanden (Groot-Brittannië en Ierland) en het hardnekkige verzet van enkele lidstaten uit Midden- en Oost-Europa tegen opname van een evenredig aantal vluchtelingen in hun land maken het echter onwaarschijnlijk dat een EU-breed beleid echt van de grond komt.

Effectieve samenwerking tussen zoveel mogelijk bereidwillige lidstaten om de vluchtelingenproblematiek beheersbaar te maken zou per saldo het minste van twee kwaden kunnen zijn.

Alfred van Staden. Beeld .
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.