Column Toine Heijmans

Mijn vader is zijn eigen martelkamer

Het gezin. Beeld Privéarchief Toine Heijmans

De martelkamer van dr. Alzheimer biedt een breed assortiment aan middelen en methoden, onzichtbaar en onbegrijpelijk, dat is waar martelen om draait. Niet de pijn is van belang, het is de angst voor pijn, en voor het onzichtbare en onbegrijpelijke.

Het is trouwens geen martelkamer, het is een ondergronds stelsel van gangen en grotten, mijn vader voorop met een toorts en wij erachteraan, bang hem kwijt te raken. Zoals zijn kinderen hem schuw volgden naar de nachtmis met Kerst: die koude kerk in met de houten banken, met in gewaden gestoken personages en hun ingewikkelde capriolen, zwaaiende wierookpotten, geheime hosties, liedjes in onverstaanbaar Latijn, extra hard gezongen om duivels te verjagen.

Mijn vader was magisch op Kerstavond: hij bezwoer de toverkunsten in de kerk met warme worstenbroodjes achteraf - geen vette saucijzenbroodjes die ze op het station verkopen, echte worstenbroodjes en warme chocolademelk van cacao, zo was er toch nog iets om naar uit te zien in de zwarte winternacht.

Het is de bedoeling dat er meer licht komt, na Kerst en Oudjaar. De zon boven zijn kruidentuin, de aarde begint te geuren, de takken botten uit. Alles begint opnieuw, onder dat licht, en mijn vader was altijd de eerste die het zag.

Maar in de martelkamer neemt het donker toe, net als de diepte. De hoop op licht doet pijn.

Steeds verder boort mijn vader zich dat gangenstelsel in, zijn toorts al zwakker, navigerend op de echo’s van zijn vriend de dr. Wij erachteraan met onze moderne worstenbroodjes: midazolam 7,5 mg, haldol in tabletten, lorazepam, citalopram - het zicht wordt er niet beter op. Mijn vader loopt steeds krommer, alsof hij iets is kwijtgeraakt. De martelgang is voorzien van een verlaagd plafond, het is de plek waar dr. Alzheimer zijn zwaarste geschut bewaart. Mijn vader loopt steeds sneller ook, zo snel dat zijn zoon steeds minder vader ziet.

Grotbewoners raken de tijd kwijt, dat is bekend uit speleologisch onderzoek. De Fransman Michel Siffre dook 63 dagen onder in een spelonk, leefde er zonder zonlicht en zonder horloge. Dat was een experiment. Terug boven bleef hij op zijn grottijd ingesteld: wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van de biologische klok. ‘Wanneer je omringd bent door nacht’, zei Siffre later, ‘neemt je geheugen de tijd niet meer op.’

Dus als mijn vader ’s nachts de gangen van zijn studentenhuis verkent, is hij zijn eigen speleoloog. Waar licht is, is de uitgang. Waar mensen zijn, is houvast. Door de mist baant hij zich een weg naar een kamertje dat niet op een kamertje lijkt, meer op een lift. De deuren sluiten automatisch.

Graait naar gordijnen alsof het vogels zijn. Draait alle kranen open die onderweg verschijnen - het geluid van water, dorst. Het geluid van plassen naast de pot.

Zodra mijn vader zijn zoons ziet, zijn dochter, zijn vrouw, zijn ‘verdomd belangrijke personages’, valt hij in slaap. Dan is hij uit zijn grot, voor even. Daarna schrikt hij wakker en richt zich op: er moet gelopen worden.

Mijn vader is zijn eigen martelkamer.

t.heijmans@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.