Column Sarah Sluimer

Mijn vader is een bergje as in een urn ergens op een plank

Sarah Sluimer Beeld Berto Martinez

De eerste keer dat ze elkaar ontmoetten, zei mijn vader: ‘En je weet wat ik met de vorige slampamper heb gedaan, hè. Een enorme stomp tussen de ribben.’ Mijn vriend keek hem met zijn roestige ogen strak aan en zei: ‘Dat zou ik bij mij niet proberen, Téún. Ik vouw je recht doormidden.’ Ik wist van tevoren dat hun verhaal met deze woorden zou beginnen. Ik ken het type. Ik wist ook dat ze in de jaren daarop eindeloos bij anderen deze twee zinnen zouden herhalen, als schonkige pogingen tot het tonen van liefde.

Op een hete zomerdag kwamen ze samen uit de achtertuin lopen. Ze waren bij de kippen geweest. Je moet nu eenmaal soms naar de kippen toe, om naar ze te kijken en er af en toe eentje zwijgend aan te wijzen. Ik lag op een stoel op het terras te zonnen en loerde tussen mijn zweterige wimpers naar hun silhouetten. Als door een vaselinelens zag ik ze dichterbij komen. Simultaan zetten ze de voeten dwars op de roze tegels. De buik vooruit, de rug hol. Als ganzen, zou je kunnen zeggen. Als ruwe zeebonken, zou veel aardiger zijn. Zo van een afstand en met de zon in hun rug waren ze dezelfde man.

Ik hoorde ze lachen. En daarna, mijn vader, hij legde iets uit. Hij gebruikte zijn galmende stem, gereserveerd voor debatten en ruzies. Maar daaronder klonken vrolijke zoemertjes, kleine sprongetjes van plezier. Mijn vriend begon terug te praten. In zijn hese branie hoorde ik de poging zijn jeugd af te schudden door kalmer, spottender te klinken. De nadruk op mijn vaders naam: ‘Téún.’ Ik sloot mijn ogen, luisterde secuur. Het gesprek nam een wending. Mijn vriend nu, in werkelijke rust. ‘Dit vind jij helemaal niet. Dit zeg jij om te pesten.’ Mijn vader, opeens mopperend als een fragiel dametje ‘Ja, nou ja, mag ik ook eens een keer? Ik ben oud!’

Nog even en ze zouden gelijken zijn, het was een kwestie van maanden.

Een jaar later, een veel betere zomer, maar mijn vader is een bergje as in een urn ergens op een plank. We zijn in de stad en niet in het dorp van mijn vader. De kippen zijn geslacht. Mijn vriend is niet verdrietig. Of wel, maar dan op de manier van mijn vader. Nuchter, soms broeiend. Hij kwam gisteren in onze straat op me af lopen. Ik kneep mijn ogen dicht en probeerde mijn vader te zien. Niets. Nog een keer. Nee. Hij stond opeens voor me.

‘Hoe was je dag?’, vroeg hij en keek over me heen. Zijn stem was laag en zeker. Tussen zijn vingers had hij een halve sigaret geklemd. Hij graaide zijn portemonnee uit zijn zak. Bruin leer, net als die van mijn vader. Vol foto’s van ons kind, ook zoals toen. We liepen naar de snackbar om een ijsje te halen. Ik keek naar onze voeten en probeerde de ganzenpas even uit. Maar wat je ook doet, met iedere stap verdwijnt hij meer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden