COLUMNSylvia Witteman

Mijn vader, die zijn leven lang overal schijt aan heeft gehad, was bang

Mijn 80-jarige vader is van nature nogal ambulant, dat wil zeggen, met de auto, want lopen kan hij allang niet meer. Die auto is, onomwonden, het smerigste vehikel ter wereld ooit gevonden. Peuken, lege flessen, oude kranten, etensresten en onfrisse toiletartikelen, alles in een geur van verschaalde rook en vuilnis.

Mijn vader heeft een huis, ergens in een uithoek, maar daar is hij niet vaak. Zijn auto is zijn ‘movable feast’. Dag in dag uit rijdt hij ermee door het land, langs vrienden, vriendinnen, (ex-)vrouwen, kinderen en kleinkinderen. Hij blijft dan altijd eten en schooit in het voorbijgaan mee wat van zijn gading is; een warme trui, een paar schoenen, een tupperwaredoosje met gehaktballen. Omdat hij gezellig en geestig is, en bovendien nooit te lang blijft, is hij een graag geziene gast.

Maar nu even niet. Een week of twee geleden zei ik hem per telefoon dat hij voorlopig maar niet moest komen. Ik verwachtte spottend uitgemaakt te worden voor ‘laffe trut’, maar tot mijn verbazing bleek hij het met me eens. Mijn vader, die zijn leven lang overal schijt aan heeft gehad, was bang. ‘Ja, je bent ook wel bij uitstek de doelgroep’, lachte ik pesterig, want het moet natuurlijk wel een beetje leuk blijven. Nu hoorde hij iets gemeens terug te zeggen, maar dat kwam niet. ‘We bellen nog’, sprak hij bedrukt, en hing op.

Het leven ging door, met houtjes en touwtjes. Aan mijn vader dacht ik af en toe vluchtig. Onkruid vergaat niet. Tot hij belde. Of ik iets te eten voor hem had, want hij kwam nergens meer en er was niemand die voor hem kookte. Ik vulde een tasje met soep en stoofpot in ijzige bakjes. Hij belde weer. ‘Ik sta voor je deur’, zei hij. ‘Heb je misschien ook wat brood?’ Ik keek in de broodtrommel. Vijf boterhammen, van eergisteren. Ik deed ze erbij.

Ik liep naar buiten. Daar zat hij, in zijn ranzige auto. Hoe moest nu de overdracht van het tasje plaatsvinden zonder de ‘gepaste afstand’ te overschrijden? Ik dacht aan de beroemde Glienicker Brücke, waar tijdens de Koude Oorlog spionnen uit Oost-en West-Berlijn uitgewisseld werden. Maar die spionnen konden lopen, en mijn vader niet.

Op goed geluk trok ik de rechterdeur van de auto open, wierp het tasje naar binnen en gooide de deur weer dicht. De korte blik die we uitwisselden was onbeschrijflijk. Hij zag er slecht uit. Onderweg naar binnen dacht ik aan die vijf oude boterhammen.

Mijn kinderen hadden me al jaren niet zien huilen, dus daar schrokken ze wel van.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden