ColumnThomas van Luyn

Mijn paard was gelukkig gewend aan klunzen, maar in draven had ze geen zin

Beeld Aisha Zeijpveld

Ook voor het eerst gedaan: paardrijden. Althans, ik ben natuurlijk heus weleens bij een vulkaan op een toeristenpaard gehesen, dat overkomt de besten van ons, maar nu heb ik voor het eerst les gekregen. Gewoon in Friesland. We hadden voor een week een huisje gehuurd met elke dag voor het hele gezin een uurtje paardrijles. Ik stemde in met dit vrouwending (paardrijden is een genderpartijdige activiteit) omdat het de kinderen van de iPad haalde en een natuurlijke waterscheiding creëerde tussen koffie- en borreltijd.

Bij pingpong hoef je alleen maar het balletje te slaan en je bent begonnen. Bij paardrijden moet er van alles en dan ben je nog nergens: zadels, teugels, borstelen, bezemen, gehannes met laarzen en helmpjes, ga zo maar door. Dat zou voor mij reden genoeg zijn een andere hobby te kiezen, maar voor sommigen is het juist een lifestyle: de paardenboerderij werd bevolkt door een zwerm meisjes die uit heel Nederland bijeen waren gekomen om een hele week lang de hele dag hooi te sjouwen en poep te scheppen. Er zat, net als op ballet, één jongen tussen.

De les begon met borstelen. Daarvoor moet je het hok in, en daar zit meteen mijn voornaamste bezwaar tegen paarden: het zijn moordmachines. Getemd en onderworpen weliswaar, maar adequaat bewapend met tanden en hoeven, nog los van het feit dat ze simpelweg heel erg groot zijn. Jezelf in een klein hok opsluiten samen met zo’n formidabel beest, dat is gewoon onverstandig. En als ik Thierry Baudet was, zou ik hier nu gaan filosoferen over waarom het juist meisjes zijn die zich hiertoe aangetrokken voelen, maar het is beter voor alle betrokkenen als ik dat niet doe.

Zoals alle dieren houden paarden niet van nerveuze mensen. Dus deed ik mijn corvee zo kordaat en achteloos mogelijk, waarna ik mezelf met behulp van een krukje bovenop mijn rijdier zwiepte. Ze was gelukkig zachtmoedig van aard en duidelijk gewend aan klunzen. Ondanks mijn onbeholpen geruk aan haar teugels, ging ze steeds de gewenste kant op.

Draven echter, daar had ze geen zin in. Dat lag aan mij, verzekerde de leraar me, ik was te soft. ‘Je moet haar laten voelen wie de baas is’, riep ze voortdurend. Ik ben meer van het overlegmodel, maar dat was hier niet de bedoeling blijkbaar. Dus schopte ik me een ongeluk tegen de flanken van dit lieve dier, maar nooit hard genoeg om haar aan het draven te houden. Het zat me niet lekker. Ik was een dier aan het schoppen dat de rest van de dag in een hok zat. Daar kun je wat van vinden, dacht ik.

We stapten (zo heet langzaam rijden bij paarden) langs een weiland waar een hengst enthousiast met mijn merrie begon mee te stappen, zijn genegenheid slechts ingetoomd door schrikdraad. Ik vroeg of ze weleens mochten paren. De leraar zei van niet, want daar gebeurden ‘te veel ongelukken’ mee. Ik herinnerde me de gewelddadige verkrachtingen die ik bij ezels in Frankrijk had gezien, en kon me daar wel iets bij voorstellen.

Ik leerde ook dat alle veulens in Nederland het product zijn van inseminatie. Hetgeen betekent dat een paar gelukkige mannetjes af en toe worden afgetrokken. Wat een baan, dacht ik, paardenrukker. En die hengsten boffen nog: merries krijgen helemaal niets. Tenminste, ik denk niet dat ze bestaan, paardenvingeraars, want anders had ik dat beslist meegekregen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden