Column

Mijn oudste, trouwste metgezel ligt te creperen, in het geheim nog wel

Over de dood van de elektrische gitaar

 

De 1965 Fender Stratocaster, de eerste gitaar die Jimi Hendrix verbrandde. Foto epa

In een sadistische bui mailde een vriend me een artikel uit The Washington Post met de kop 'De langzame, geheime dood van de elektrische gitaar en waarom dat u zorgen zou moeten baren'. Zóú'? Mán, ik wierp me ogenblikkelijk snikkend op de vloer, om daar een paar uur roerloos te blijven liggen. Waarom hield er nou nooit eens iemand rekening met míjn gevoelens?

Mijn kind, voor wie ik vorige week nog kartonnen verjaarsdagshoeden niette terwijl we zongen van het molletje dat nodig een brilletje moest, was plotseling een bovenbouwer geworden. Over twee weken werd ik 50. En nu moest ik lezen dat mijn oudste, trouwste metgezel lag te creperen. In het geheim nog wel. Overheid deed niets.

Al jaren, zo leerde ik, keldert de verkoop van elektrische gitaren. Zelfs de grootmachten Fender en Gibson verkeren in zwaar weer. De oorzaak is simpel: er zijn geen gitaarhelden meer, de solo is uit de gratie. Ooit kon je er de klok op gelijkzetten dat na het tweede refrein van een pophit het gefiedel op de edele six-string begon. Nu is die plek het exclusieve domein van de gastrapper geworden. En dus is de gitaar voor de jeugd niet langer de shit.

Men moet het verstrijken van de tijd met waardigheid en gratie ondergaan, zoals ik keurig netjes had gedaan bij de dood van de trekschuit, de telefooncel en de fax. Zelfs toen de tijdgeest opeens besloot dat het oké was om broodjes caprese te beleggen met rucola in plaats van basilicum, bleef ik bewonderenswaardig kalm. Maar het vooruitzicht van een wereld zonder Stratocasters, Telecasters, Les Pauls en Flying V's was nauwelijks te verteren.

Het is jammer dat Sigmund Freud nooit is toegekomen aan het duiden van de aantrekkingskracht van de elektrische gitaar, maar ik neem het wel van hem over, want het ligt allemaal een stuk eenvoudiger dan die verhalen over tunnels en uitvallende tanden.

De gitaar is een fallussymbool van jewelste én heeft onmiskenbaar wulpse, vrouwelijke vormen. Kortom: een enorme pik en een lekker wijf ineen, waar je de godganse dag met je tengels aan mag zitten - en je ouders betalen het lesgeld. Je kunt je voorstellen wat zoiets doet in het hoofd van de adolescent die hem voor het eerst omhangt. Ik heb nog nooit zo gehouden van een ding. Zo ben je een bleke, onzekere slungel en hóppa: je bent een onzekere slungel met een roomwitte Strat op zijn buik. Metamorfose!

Sander Donkers. Foto Berto Martinez

Terwijl mijn klasgenootjes scheef haar en schoudervullingen namen, werkte de 13-jarige Old Blind Donkers voortaan gestaag aan zijn mojo. En dat mijn ziedende riffs vijfendertig jaar later nog altijd slechts bekendheid genieten in een zeer kleine kring van fijnproevers, maakt voor de loyaliteit aan het instrument geen moer uit.

Dus sleepte ik me naar het berghok en trok de handel tevoorschijn. Versterker, snoeren, een rij voetpedaaltjes met namen als Big Muff, Cry Baby en Tube Screamer. Mijn gitaar lag geduldig te wachten. Zuiver, elegant, en binnenkort op de schroothoop van de geschiedenis, samen met de luit en de viola da gamba.

Ik drukte haar dicht tegen me aan en draaide alle knoppen open. En mijn gitaar, ik zweer het hè, she gently weeped.

Meer over