Column Harriët Duurvoort

Mijn oudoom was een cliché van een NSB’er

Oom Joost zat altijd als versteend aan de grote eettafel met het Perzische tafelkleed nurks uit het raam te staren. Met een eeuwige sigaar aan de lippen geplakt tuurde hij op de Ten Katestraat, waar ze al hun leven lang woonden en waar in mijn jeugd steeds meer Turken en Marokkanen gingen wonen. Daar zal hij wel op gekankerd hebben. ‘Denk toch om uw longen, oom!’, zei mama altijd tevergeefs over die sigaar. Want als baby had hij net als zijn moeder tbc gehad. Zijn moeder was er in het kraambed aan bezweken. Hijzelf bijna ooit ook, toen hij geïnterneerd was geweest in het strafkamp.

Nu het opnieuw zo vaak over fascisme gaat, moet ik de laatste tijd vaak aan mijn oudoom Joost denken. Welbeschouwd de enige echte fascist, uit de tijd dat die ideologie miljoenen mensenlevens kostte, die mijn leven ooit kruiste. Omdat we familie waren. Ik was misschien zes, zeven toen ik hem regelmatig zag. Zijn vrouw, tante Cilly, was een van mijn lievelingstantes. Zodra ik mijn norse oom gegroet had, volgde ik haar snel, twee trappen omhoog, naar het zolderkamertje, waar ze een zee van speelgoed had.

Hij was geen licht, geen doordenker, zegt mama altijd. Een meelopertje, oordeelde de familie na de oorlog. Een verkleinwoordje om het grote kwaad behapbaar te maken. Bij mij viel pas toen ik puberde het kwartje dat hij fout was geweest. Toen was hij al te dement om zich te verantwoorden. Ik was activistisch: had een rood driehoekje op mijn tweedehands waterloopleinjas gespeld. Toen skinheads Kerwin Duijnmeijer hadden vermoord, voelden wij, gekleurde jongeren, ons steeds onveiliger in onze stad. En de huiveringwekkende schaduw van wat er in de Tweede Wereldoorlog was gebeurd was, maakte dat je nooit naïef kon zijn.

Oom Joost was een cliché van een NSB’er. Een moederloos Mokums straatschoffie dat opgroeide in een ondankbare tijd. Als jongeman in de jaren dertig lang aan de zijlijn gestaan. Werkloos en dus doodarm, jaar in jaar uit. Hij was een van die gekrenkte, simpele zielen die gewoon vatbaar was geweest voor dat verhaal. Herrenvolk, daar klonk een meedogenloze trots uit. Het absolute tegendeel van het gevoel dat je kreeg als je twee keer per dag moest stempelen voor de steun. Of als de armenbezoeker in je linnenkast kwam koekeloeren om te zien of je wel een nieuwe broek nodig had.

Maar dat mama, zijn aangenomen zwarte nichtje, niet tot dat Herrenvolk behoorde, boeide hem niet. Hij was dol op zijn nichtje, dat door zijn oudste zus geadopteerd was toen hij 14 was.

En die buurman was ook een uitzondering. Het verhaal gaat dat een Joodse buurman, toen oom Joost in het interneringskamp vlak na de oorlog crepeerde, voor hem is gaan pleiten. Omdat oom Joost hem niet verlinkt had. Iedereen op de trap wist van zijn onderduik. Inclusief die NSB’er. Misschien deed die Joodse buurman het ook voor tante Cilly, die een en al Amsterdamse hartelijkheid was met alle buren, en nooit lid was geworden van de NSB. Omdat het zielig was als haar kinderen zonder vader zouden opgroeien.

Die Joodse buurman was voor oom Joost de uitzondering die de regel bevestigde. Geen Jood, maar gewoon een buurman. Als je als individu de uitzondering bent op de regel die bepaalt dat jouw groep mensen stelselmatig ontmenselijkt wordt, heb je veel mazzel. Het doet verder niets af aan dat systeem. Zelfs Hitler had een uitzondering, de Joodse arts die zijn moeders borstkanker behandeld had. Die mocht naar de VS emigreren.

En hoe heeft oom Joost zich verder gedragen in die oorlog? Amsterdamse NSB’ers speelden een gruwelijke rol in de Jodenvervolging. Knapten het vuile werk op voor de Sicherheitsdienst. Verrijkten zich met de bezittingen van hun slachtoffers. Er zijn twee opties: hij keek weg of hij deed mee.

Ongetwijfeld zal hij na de oorlog wroeging gehad hebben. Omdat je dan ineens weer in een gewoon leven zit. En het was een doodnormale man, verder.

In De banaliteit van het kwaad, waarin zij het proces tegen Eichmann verslaat, schrijft Hannah Arendt dat het probleem met Eichmann was dat zoveel mensen precies zoals hij waren. Niet pervers of sadistisch. Maar vreselijk en huiveringwekkend gewoon. Dat gewoon zijn was het meest angstaanjagend.

Meelopen, meegesleept worden in haat, als je toch al gefrustreerd bent, is heel gewoon. Dat maakt mij bang. 

Harriet Duurvoort is publicist

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.