Column Sarah Sluimer

Mijn nieuwe vriend, voor mij is ze precies genoeg

Ze stormde de trap op, mijn huis in, riep ‘ja!’, keek me recht aan en vouwde zich om me heen. Ik ben een beetje huiverig voor de lijven van vreemden, maar daar laat ik nooit iets van merken. Als je in dit tijdsgewricht een kennis niet schreeuwend in de armen valt, word je al snel voor een zielloos burgermannetje versleten. Een kus net naast de mond, een neus in het haar, een hand op een wang. Ik doe braaf mee en maak er nog iets van door stiekem geuren op te snuiven, grote poriën op de neusvleugels en grijze haren in de baardjes te bekijken. 

Maar met haar was het anders. Ik voelde het direct toen ze me aanraakte. Geen afkeer, geen spanning. Ik zou zonder problemen mijn hand op haar rug leggen en zachtjes in haar oor praten, dacht ik verbaasd. Van tevoren stelde ik me er iets heel anders bij voor. Alle ingrediënten voor een hysterische eerste ontmoeting waren aanwezig, zo eentje waar je nog twee dagen vol van bent, maar die daarna omslaat in weerzin. Was de nieuwe vriend niet toch een beetje vermoeiend, zo begint het te knagen. Een tikkeltje egomaan, zo zeurt het door. Een complete narcist, zo besluit je uiteindelijk ferm. En je richt walgend de vlammenwerper op de jonge vlinders in je buik en vernietigt opgelucht een mogelijkheid tot nieuwe intimiteit in je leven. Geeft niet, het wordt naarmate je ouder wordt nu eenmaal steeds moeilijker om vrienden te maken, zeggen we troostend tegen elkaar. In werkelijkheid worden we steeds banger, luier, minder buigzaam.

Ze ging zitten, haar handen plat op tafel. Ik zag aan haar dat ze anderen wilde overheersen, maar nu haar zwaard had thuisgelaten. Ze vloog me weer om mijn nek, om iets wat ik zei. Ik kende haar geur al eeuwen. We spraken in elkaars spoor. Ze werd misselijk van de wijn of misschien wel van de vanzelfsprekendheid. Ik zag het aan haar voor ze het zelf wist. Ik gaf haar chocola en water.

Twee dagen later hield ze mijn hand vast. Ik moest heel hard huilen om iets. Ze droeg een jumpsuit met kreeften erop. Ik kneep in haar vingers. Vijf dagen daarna aten we rauwe vis aan het water. Ik was niet zenuwachtig. Ik wilde de afspraak geen moment afzeggen. Ze was door de mazen van mijn net heen geglipt. Of eigenlijk: ze had het net nonchalant verscheurd. Het geharrewar waar nieuwe liefdes vaak op breken hebben we overgeslagen. Ik vind het niet eens erg dat ik haar met zoveel anderen moet delen.

Het kan nog misgaan, natuurlijk. We kunnen allebei woestelingen zijn. En wat weet ik nou eigenlijk écht van het malle mens. Misschien is dit een korte, gedeelde tijd, voor we terugkeren naar degenen die we iedere vrijdagavond met hetzelfde biertje in de hand in dezelfde kroeg ontmoeten. Ze keek me aan. ‘Ik ben niet te veel, die anderen zijn veel te weinig,’ zei ze. Een vlinder draaide pirouettes in mijn buik. Voor mij is ze precies genoeg. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.