Opinie Iran

Mijn kleren liggen nog in een massagraf in Iran

Slachtoffers van de massamoord uit 1988. Beeld NurPhoto via Getty Images

De Iraanse ayatollahs richtten in september 1988 een massaslachting aan onder de politieke gevangenen die ze zelf eerder tot lange gevangenisstraffen hadden veroordeeld. Dertig jaar later is het rouwen om de slachtoffers, het bezoeken van de massagraven, of publiceren daarover strikt verboden.  

Mijn schoolvriendje Zafar en ik hadden veel gemeen. Als op het schoolplein spontaan voetbalteams werden gevormd, bleven we allebei als laatste over. Onze natuur- en scheikundecijfers waren even beroerd. Maar we waren ook verschillend. Zafar was geboren in een arm arbeidersgezin, ik in een bekende, welvarende familie. Vaak als ik met de auto van school werd gehaald, zag ik hem lopend op weg naar zijn werkplek in een garage. ’s Winters, in de zelfde kleren als ’s zomers, met zijn nek in zijn kraag en zijn handen onder zijn oksels.

Mijn ouders besloten dat ik naar een privéschool ging in Boston. Net twee dagen voordat ik mijn visum kreeg, werd de Amerikaanse ambassade in Teheran bezet en het personeel gegijzeld. ‘Dan blijf je gewoon nog even hier op school’, zei Zafar. Een paar maanden later liet ayatollah Khomeini onder het mom van de ‘culturele revolutie’ alle universiteiten sluiten. De sfeer werd nog grimmiger toen de revolutie van 1979 zijn eigen kinderen begon op te eten. Bezit van een boek, tijdschrift of een cassettebandje dat even daarvoor vrij te verkrijgen was, werd ineens levensgevaarlijk. Op het trottoir lagen stapels boeken, die ‘s nachts waren gedumpt. Niemand durfde er zelfs naar te kijken.

De loop van een pistool

In de zomer van 1981, onderweg naar het eindexamen biologie, voelde ik iets kouds in mijn nek. Toen ik me omdraaide, keek ik in de loop van een pistool. Mijn jeugd eindigde die nacht in de cel. Dagelijks kwamen er nieuwe arrestanten bij, onder wie veel schoolvrienden, ook Zafar. Tijdens het examen wiskunde had de nieuwe, bebaarde schooldirecteur in zijn oor gefluisterd dat hij straks de achteruitgang moest nemen. Bij de ingang stond de revolutionaire garde hem op te wachten. Dat had hij gedaan, niet wetende dat het juist de bedoeling was dat hij onopvallend zou worden opgepakt.

Dagelijkse martelingen moesten de namen- en adressenlijsten aanvullen. Iedereen met ‘foute gedachten’ moest binnen. De winter van 1982 brachten we door in kleine isoleercellen waar we overdag met zo’n veertig mensen tegen elkaar aangedrukt rechtop stonden. Mijn ouders hadden hun geld en netwerk ingezet om wat warme kleren bij mij te krijgen. Die deelde ik uit. Zafar kreeg mijn beige, gebreide vest met suède voorkant, dat ik in Londen had gekocht. Majid kreeg de groene trui uit Parijs, zijn jongere broer Masood mocht mijn hemelblauwe lievelingstrui hebben. Toen Majid werd geëxecuteerd zag ik de gaten in de groene trui en hoe uit de kogelgaten daarin bloed stroomde. Ik deed een zelfmoordpoging. Het geld van mijn ouders bracht mij in een gesloten psychiatrische inrichting, waaruit ik vluchtte met behulp van een held-psychiater.

‘Oplossing’ gevangenenprobleem

In 1988 gaf Khomeini schriftelijk opdracht aan een commissie van vier geestelijken om het vraagstuk van politieke gevangenen definitief op te lossen. In de loop van september vloog het viertal in een legerhelikopter langs de gevangenissen. In een kort antwoord op drie vragen moesten de gevangenen hen overtuigen dat ze inmiddels vrome moslims waren geworden, niet wetende wat de consequentie was van hun antwoord. Vervolgens moesten ze geblinddoekt in de rij links, of de rij rechts aansluiten. Tussen de vijf- en dertigduizend politieke gevangenen kwamen in de dodenrij terecht. Nietsvermoedend liepen ze naar hun slachthuis en werden ze met de klaarstaande vrachtwagens in de van tevoren uitgegraven kuilen buiten de steden gebulldozerd. 

Amnesty International heeft al 120 verdachte plaatsen aangewezen.

Anno 2018 bekleden de commissieleden topfuncties in de hoogste rangen van de islamitische republiek Iran. Ebrahim Raisi, Mostafa Pour-Mohammadi, Hossein-Ali Nayeri, Morteza Eshraghi, beweren zelfs trots te zijn op ‘het uitvoeren van de wil van Allah’.

Sporen gewist

De recente straatprotesten hebben de daders gealarmeerd: mogelijk komt er een fundamentele verandering aan. De sporen van deze misdaad tegen de menselijkheid worden in hoog tempo uitgewist. Op de massagraven worden overheidsinstellingen gebouwd, wegen, pleinen of vuilstortplaatsen aangelegd. De duidelijkste voorbeelden zijn te vinden in de steden Teheran, Ahwaz, Sanandaj, Tabriz, Gharavi, Mashhad en Rasht.

Op bijna elk bladzijde van de dodenlijst herken ik een naam, ook die van Zafar. Een ooggetuige beschrijft het tafereel in de Gohardasht gevangenis. ‘De massamoord moest geluidloos plaatsvinden, zonder schoten. Aan een ijzeren pijpleiding die vlak onder het plafond de ene kant van de gebedszaal naar de andere kant verbond, hing om de meter een touw, daaronder een stoel. Kaveh was door de martelingen invalide geworden en kreeg vaak epileptische aanvallen. Toen Zafar hem in de rij naar binnen droeg, had hij net een aanval gehad. Terwijl hij nog bewusteloos was, werd hij opgehangen. Zafar keek toe, en kalm, met de blik op oneindig, deed hij zelf het touw om zijn eigen nek.’

Ik zie Zafar vaak nog in die houding voor me. Met mijn beige, gebreide vest met suède voorkant, die ik in Londen had gekocht. 

Keyvan Shahbazi is publicist. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.