ColumnSylvia Witteman

Mijn kies heeft de autoloze zondag nog meegemaakt

‘Het is jouw mond, dus jij mag kiezen’, vleide de tandarts. Zijn eigen tanden blikkerden in zijn knappe, beige, duizend-en-één-nacht-gezicht. Hij duwde nog eens voorzichtig tegen het object van zijn begeerte, een grote, luidkeels zeurende kies linksboven in mijn kakement.

Dat ding heeft de autoloze zondag nog meegemaakt, de afsluiting van de Oosterschelde, het Lockheedschandaal en de opening van de allereerste meubelboulevard. Tandartsen in diverse wereldsteden hebben hun krachten erop beproefd. De wortelkanalen werden achtereenvolgens uitgevijld in Amsterdam, Berlijn en Washington. Het hielp elke keer wel een jaartje of 10, maar nu was de boel opnieuw gaan opspelen, onder die mooie dure kroon. Ik zal u de details besparen. Nee, echt.

‘Trek ‘m er dan maar uit’, zei ik stoer. ‘En doe mij maar zo’n implantaat.’ Ik kneep mijn ogen dicht en sperde gelaten mijn mond open. Dat leek me wel wat, zo’n luxe titanium schroef. Na mijn crematie, zaliger gedachtenis, kunnen ze dat ding dan nog eens horen rammelen, als ze schudden met mijn urn. Als Jan Wolkers daar een roman over had geschreven, zou die ‘De sambaballen van de dood’ hebben geheten. Was 54 eigenlijk te jong om je eerste kies te verliezen? Waar bleef die jongen nou, met zijn tang?

Maar trekken deed hij niet. Hij schreef een receptje, zag ik toen ik mijn ogen weer opendeed. Antibiotica. Hij was blijkbaar zelf óók bang voor wat er anders onder die kies vandaan zou komen. ‘Dan zie ik je volgende week’, straalde hij, en gaf me zo’n coronabestendige elleboogpor, die ik niet had zien aankomen, zodat wij ginnegappend struikelden, bijna tegen elkaar aan. Daar kun je tegenwoordig dood aan gaan.

Buiten kwam de herfst aangeloeid. Met mijn kies, waaraan alles en niets klopte, waaide ik verregend een apotheek binnen. Ik was de enige klant. Achter de balie zaten drie meisjes, heel parmant. Ze keken even naar mij, als schapen naar een drenkeling, en vervolgden hun conversatie.

‘Echt niet, dat ik spataderen ga krijgen’, zei de een. ‘Echt niet’, beaamde haar collega. De derde schudde haar hoofd en nam een slokje thee. ‘Echt wel, dat ik steunkousen vergoed ga krijgen’, zei de eerste. Ik greep maar eens naar mijn wang, en kuchte.

‘Ik sta hier de hele dag op mijn benen’, klaagde de eerste vanuit haar comfortabele bureaustoel. ‘Echt niet, dat ik zulke kuiten ga krijgen als Mirjam!’ Haar collega’s bliezen, maakten bezwerende gebaren, riepen in koor ‘Echt niet!’ en schonken haar nog eens troostend thee bij. Daarna grepen ze alledrie hun telefoon, en begonnen er lustig op te tikken.

Mijn kies bonkte. Buiten, op straat, gingen één voor één de kerstlichtjes aan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden