Column Peter Buwalda

Mijn harde schijf liep vast – wat me restte, was een bijzonder zwáre migraine-aanval

Wie weleens zaaltjes toespreekt, weet dat je een optimum moet zoeken tussen voorbereiding en praten uit de losse pols. Hitler wist dit, maar ook Hans van Breukelen, wat een van de vele manieren is om te zeggen: iedereen.

Ik ook, dus. Jarenlang reisde ik zaaltjes af met één en dezelfde lezing, een verhaal van precies drie kwartier dat na een keer of tien improviseren gestold was tot een vrijwel vaste vorm waaraan ik eigenlijk niet meer voorbereiding had dan er op de heenweg eventjes aan te denken. Idealiter was ik de draad ervan nét niet kwijt als ik begon met oplepelen, waardoor ik tijdens de voordracht – vrije hand losjes in de broekzak, geen papiertje natuurlijk, en zeker geen beamer – niet overkwam als een robot, maar ook niet als een toevallige passant die iets volstrekt willekeurigs uit zijn duim stond te zuigen.

Precies goed dus. Het leek serieus alsof ik zonder euh te zeggen drie kwartier verrassend diepzinnig voor me uit stond te orakelen. Niemand wist natuurlijk dat ik vaker speelde dan The Lion King in het Circustheater – dat is het mooie van steeds weer andere zaaltjes.

Jet: ‘Hoe vaak dan?’

‘Een keer of tweehonderd? Ja, makkelijk, misschien wel driehonderd keer.’

The Lion King duizend keer, staat hier.’

Dondert niet. De Mensch zal altijd blijven zoeken naar meer efficiëntie, naar hogere baten, naar kortere wegen om zijn doel te bereiken. Dus dacht ik van tevoren steeds korter na over de lezing, een minuutje, soms maar een paar tellen.

Tot ik op een dag moest optreden in de bibliotheek van… Driel? Ik denk het. (Druil was het niet, en ook Draal zou te ‘betekenisvol’ zijn geweest, laat staan: Drol.) Zodra ik de verzamelde Drielenaren begon toe te spreken, besefte ik, of beter: voelde ik aan al mijn poriën tegelijk, dat ik in de trein helemaal niet aan mijn lezing had gedacht. Geen seconde. Je kon in heel Driel de harde schijf horen raspen: ik moest twee dingen tegelijk doen, razendsnel de kluwen van mijn eigen eeuwige geleuter verkennen én datzelfde geleuter met een zekere nonchalance te berde brengen. Het ding begon te roken. Na vijf minuten zat ik muurvast.

Stilte.

Fawlty Towers. John Cleese, Basil Fawlty – wat me restte, was naar mijn been grijpen, the old leg again, Korean war, oeh, ah, auwauwau, maar dan in een vrije vertaling. Ik zuchtte diep, een soort kreun, versterkt natuurlijk, je moet altijd aan je microfoontechniek blijven denken, ook al ga je af als een gieter, knikte mijn hoofd omlaag en zei, zowel gekweld als strijdbaar:

‘Dames en heren, ik heb een even zeldzame als, mag ik wel stellen, bijzonder zwáre migraineaanval.’

Geloof me, wie zich zo overvallen weet door het noodlot leert Driel kennen op zijn best. Als de bliksem sleepte men een luie stoel op het podium, een glas water, hete thee, aspirines, een horde dames die stuk voor stuk mijn moeder hadden kunnen zijn, de dorpsarts, zijn assistente. Zaallicht uit – dat moet subiet bij migraine.

Dus daar zaten we in Driels clair-obscur, het was net een schilderij van Rembrandt, heel het dorp geknield rond stervende Peter, die tegen alle adviezen in ‘per se’ zijn lezing wilde afmaken, ‘per se, vrienden, dan maar met bonzende koppijn’, maar laat hem even een paar minuten met geloken ogen zijn krachten verzamelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden