CoronadagboekNadia Ezzeroili

Mijn handgel voelt steeds meer als een waterpistooltje tegenover een tank

‘Weet je wat wij gaan doen?’ zeg ik woensdagmiddag tegen mijn bonusdochtertje. ‘We gaan een héérlijke wandeling maken.’ Ze kijkt bedenkelijk. Ze kent me immers lang genoeg om te weten dat ik nu stront als pindakaas aan het verkopen ben. Want we gaan geen wandeling maken door het park of landelijk gebied – we gaan te voet naar een ander stadsdeel om een memorecorder met belangrijke bestandjes op te halen bij een collega.

Twintig minuten zal het duren, beloof ik haar. En dat geloof ik ook echt. ‘Het is gewoon langs de Albert Heijn, rechts, over de brug en dan zijn we er.’ Het duurt uiteindelijk veertig minuten om er te komen.

‘Ik ben trouwens wel echt een risico’, zegt mijn collega met de memorecorder in zijn handen, nadat we elkaar op 2 meter afstand hebben begroet met de polsen kruiselings tegen de borstkas, zoals in de fantasyfilm Wakanda.

Hij wil maar waarschuwen: zeven vrienden van zijn vriendin lagen deze week na een skivakantie met hoge koorts in bed. ‘Dus hoe zal ik dit aan je overhandigen?’

‘Leg het maar op de grond’, zeg ik, en ik knijp wat desinfecterende gel in mijn handen om de memorecorder op te pakken. Ik weet niet eens of het zin heeft wat ik zojuist heb gedaan – inmiddels krijg ik de indruk dat het alom aanwezige virus zich nu gewoon uit een boom laat vallen om mensen te besmetten. Mijn handgel voelt steeds meer als een waterpistooltje tegenover een tank.

Donderdagochtend breek ik voor het eerst. Misschien dat het glaasje Southern Comfort van de avond ervoor het onderdrukte sentiment even heeft bevrijd. Maar ik heb zojuist in de Volkskrant een column van Sheila Sitalsing gelezen over ons ‘waanzinnig georganiseerde land’, met zijn ‘docenten die niet omver te kegelen zijn’, ‘verpleegkundigen en artsen die er gewoon een tandje bovenop doen’ en ‘zijn ministers van beton’. Ja, ik ben ook niet eerder zo trots geweest op dit land.

‘Kom maar hier’, zegt mijn partner die net naar boven wil gaan om te werken. Hij houdt me vast, zoals hij dat voortdurend doet sinds de crisis is uitgebroken. En hij laat me weer even snel los: de dreumes heeft weer zijn kans schoon gezien om in de afvalbak te graaien.

Ik ga weer over tot ouderdienst. De oudste kan goddank zelfstandig haar huiswerk doen, de jongste zet ik zonder enig schuldgevoel voor de tv zodat ik snel een paar mailtjes kan beantwoorden. Tijdens het tikken smijt hij het babyfoonscherm tegen mijn hoofd.

De dreumes is een demon geworden. Sinds een maand heb ik met mijn bonusdochter twee kweekkastjes achter de bank in de vensterbank staan. Het is een uit de hand gelopen project: de peper- en tomaatzaadjes zijn per ongeluk allemaal ontkiemd. Nu hebben we vijftig plantjes om voor te zorgen. Ik bedoel 49 plantjes, want tijdens het bewateren van de zaailingen rukt mijn dreumes een plantje eruit en flikkert het onverstoorbaar met zand en al op de bank.

’s Middags vertel ik mijn bonusdochter dat haar vader en ik overwegen om een kat in huis te halen. ‘Ondanks mijn allergie’, vervolg ik, om mijn nobelheid te benadrukken. ‘Dat zeg je altijd’, zucht ze. Ja, maar nu is het anders, zeg ik. ‘Nu kan een kat jullie misschien wat afleiding bieden.’

En jullie nanny worden, denk ik bij mezelf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden