Column Eva Hoeke

Mijn beeld van chemo was een nooit geüpdate schrikbeeld uit de tijd dat mijn vader kanker kreeg

Sinds de angstaanjagende ontdekking van de kwaadaardige tumor in de borst van mijn vriendin Carlijn (39) had het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam er meteen de beuk ingegooid: elf chemobehandelingen hadden het beest de eerste tikken verkocht, een operatie ging straks de grootste klap uitdelen en het genadeschot zou van een serie bestralingen komen. ‘We zijn al bijna op de helft!’, jubelden wij, de vijf middelbareschoolvriendinnen, met de glazen tegen elkaar.

Met haar ziekte waren nieuwe woorden ons leven binnen geslopen. Bloedwaarden, haarpijn, kapotte slijmvliezen. In de in allerijl opgerichte WhatsAppgroep zag ik namen langskomen van vriendinnen van wie ik geen weet had en van collega’s die ik niet kende die haar aanspraken met koosnaampjes waarvan ik nog nooit had gehoord. Soms verschenen er foto’s in de appgroep, chemfies, van Carlijn op een bed met een infuus in haar arm en een duim omhoog.

‘Mag ik een keer mee?’, had ik gevraagd.

En zo kwam het dat we ons op een woensdagmiddag voor de twaalfde chemo meldden op de afdeling hoop en vrees van het AVL, de dagbehandeling, het domein van geslagen levens, genezen levens, levens on hold, een fris vormgegeven unit met genderneutrale toiletten en uitzicht op een binnentuin. Geroutineerd had Carlijn haar patiëntenkaart voor de scanner gehouden, geroutineerd had ze een kussen onder haar linkerarm geschoven, geroutineerd had ze haar geboortedatum genoemd toen er een arts aan haar bed verscheen.

Mijn beeld van chemo - bibberen, kotsen, een uitgemergeld lijf vol gif in een eenzame kouwe kamer - bleek achterhaald te zijn, een nooit geüpdate schrikbeeld uit de tijd dat mijn vader kanker kreeg, deze november negentien jaar geleden. Ik was 20, hij 60, binnen drie maanden had de ziekte hem uitgehold, opgevroten, chemo was geen optie geweest. Het idee van mijn vader, de pianist, de individualist, de deftige anarchist, een man die was versmolten met zijn peuk en zijn piano, een man die het liefst op een weiland zijn vlieger stond op te laten, alleen, in gedachten, het beeld van die man op zaal met drie doodzieke anderen terwijl hij te beschroomd was voor contact en te fatsoenlijk voor verval - nee. Dan maar meteen die spuit.

Ik dacht daaraan, toen ik daar zat, aan dat bed, terwijl er 275 milliliter paclitaxel in Carlijns aderen werd gedruppeld en ik een banaan at.

‘Gaat het?’, vroeg ik.

Ze knikte.

Koetjes, kalfjes, ditjes, datjes, mijn leven in volle vaart, dat van haar op de spaarbrander. Van haar angst voor naalden was ze als eerste genezen, dat was winst. Haar haar was inmiddels verdwenen, maar het aquamarijnen mutsje paste mooi bij haar ogen en de drie wimpers die nog over waren maakte ze gewoon op. Alleen áchter haar ogen, daar was iets voorgoed veranderd. ‘Ik stel me steeds voor met hoeveel bravoure Cees hier zou liggen’, zei ik, bliksemafleider, conflictvermijder en clown op commando. De arts keek op, Carlijn vertaalde: ‘Onze vroegere autorijleraar, da’s nogal een mannetje.’

De arts, een knappe vrouw: ‘Ik had er vroeger ook zo een. Die legde tijdens de les steeds mijn hand op zijn been. ‘Je moet ook met één hand kunnen rijden’, zei hij dan.’

Na anderhalf uur zat het er weer op, of zoals ze daar zeiden, erín, stukje kankerhumor. Ik bracht Carlijn naar huis en ging toen zelf vlug terug, boodschappen doen, de kinderen halen, eten maken, iemand bellen, desnoods nog even werken, eigenlijk alles wat een mens doet om niet stil te hoeven staan bij het feit dat je vader misschien nog even langer had kunnen leven.

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.