Column Beweringen & Bewijzen

Met zulke vage criteria duurt het eindeloos voordat men erachter komt of Wilders discrimineerde

Max Pam

Weet u nog wat er in het jaar 2014 gebeurde?

Els Borst wordt vermoord. Willem-Alexander drinkt een biertje met Poetin. In Oekraïne moet Janoekovitsj vluchten en niet veel later wordt de Krim bezet. De MH17 wordt neergehaald. James Foley wordt onthoofd door IS. Voor het eerst haalt de AfD in Duitsland de kiesdrempel. De moordenaar van Pim Fortuyn komt vrij en Nederland eindigt als derde op het wereldkampioenschap voetbal.

Wat vliegt de tijd, het lijkt allemaal alweer een eeuwigheid geleden!

O ja, ook in 2014 deed Geert Wilders zijn ‘minder, minder’-uitspraak. De gevolgen daarvan slepen zich nog altijd voort. Het hoger beroep is inmiddels verdaagd, want er moet verder onderzoek worden gedaan. Vele man- en vrouwuren werk zijn erin gestoken. Advocaten dribbelen af en aan, rechters komen en rechters gaan. Maar voor wat eigenlijk? In het eerste Wildersproces werd de verdachte schuldig bevonden aan groepsbelediging en het aanzetten tot discriminatie, maar vrijgesproken van aanzetten tot haat. Maar een straf kreeg Wilders niet, zelfs geen boete.

Het proces en de uitspraak zijn dus puur van symbolische aard. Dat verhinderde de partijen niet om aan een tweede ronde te beginnen, met nog meer advocaten, rechters en geldverslindende beveiligers. Je moet wat overhebben voor het recht.

Het had korter kunnen duren als Alexander Pechtold plotseling niet wat stoms had gezegd. Om de leugen van zijn coalitiegenoot Halbe Zijlstra te vergoelijken, zei Pechtold: ‘Ik moet de eerste Rus nog tegenkomen die zijn fouten zelf rechtzet.’ Daar sprongen ze in het Wilderskamp meteen bovenop. Ook discriminatie! Maar het OM, dat Wilders graag veroordeeld wil zien, wuifde dit keer de aangiftes weg.

‘Dat gaat zo maar niet’, zeiden de advocaten van Wilders, en de wrakingskamer gaf hen gelijk – bijna tot ieders verrassing.

Geworstel met taal

Vorige week stond in deze krant een hilarisch stuk van Maaike Vos waarin rechtsdeskundigen aan het woord kwamen. Het was vooral een geworstel met de taal geworden. De analogieën rolden over de tafel. Wat als het niet over minder Marokkanen was gegaan, maar over minder Russen, Chilenen of Belgen? Of minder vluchtelingen? Of minder autobezitters? Bij welk volk of welke groep wordt het discriminatie en om welke aantallen moet het gaan?

Daarbij kan worden aangetekend dat Wilders een vraag stelde – willen jullie meer of minder Marokkanen? – terwijl Pechtold zijn opmerking bracht als een feit. Een ironisch feit misschien, maar toch. Een vraag stellen lijkt minder beledigend dan een discriminerende stelling poneren. Daar staat weer tegenover dat diegenen die na Wilders’ vraag ‘minder, minder!’ riepen eigenlijk degenen waren die voor vervolging in aanmerking kwamen.

Crucialer dan Wilders’ vraag is Wilders’ oplossing: ‘Dat gaan wij regelen.’ Maar dan nog, erg helder is dat niet. Hoe gaat hij dat regelen? Is zijn doel bereikt met één Marokkaan minder in Nederland of wil hij alle Marokkanen deporteren? Zelf zei Wilders dat hij minder criminele Marokkanen bedoelde en daar zal dan bijna iedereen het mee eens zijn. Wie wil niet minder criminele Marokkanen? We willen zelfs minder criminele Nederlanders.

Enzovoort, enzovoort.

Onrust

In het stuk van Vos zegt Henny Sackers, hoogleraar sanctierecht: ‘De discriminatiebepalingen hebben (…) als achtergrond dat we geen discriminatie willen omdat het onrust veroorzaakt in de samenleving. Er is in Nederland een bevolkingsgroep die zich identificeert met het woord Marokkaan. Dat geldt niet voor Russen. Ze zullen er ongetwijfeld zijn, maar er is geen identificeerbare Russische gemeenschap. En als die er is, is de groep niet zo groot dat de uitlating van Pechtold tot onrust in de openbare orde kan leiden.’

Uit deze formulering maak ik op dat pas sprake kan zijn van een veroordeling als de groep die zich beledigd voelt, zo groot is dat er onrust ontstaat in de samenleving. De Russen in Nederland zijn met te weinig om zich met hun vaderland te kunnen identificeren en daarom kun je ze zonder enige consequentie beledigen. De in Nederland wonende Joden zijn door allerlei omstandigheden ook met maar weinigen en daarom kunnen zij bij discriminatie slechts hopen op onrust in de maatschappij. Anders zijn zij maatschappelijk de klos en juridisch net zo machteloos als de Russen.

Hoe moet je trouwens ‘onrust in de samenleving’ definiëren? Woelt alles niet om verandering en is een samenleving zonder onrust geen dode samenleving? Logisch dat het met zulke vage criteria eindeloos duurt voordat men erachter komt of een verdachte wel of niet heeft gediscrimineerd. Intussen duurt het minder-minder-proces voort. Lees Wilders I, II, III niet als kabinetten, maar als processen. Die veroorzaken bij mij telkens weer nieuwe onrust, maar in mijn eentje vorm ik helaas een te kleine groep om daar een einde aan te maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.