Noodwet Stikstof

Met stikstofuitstoot valt nog prima te polderen

Nederland kent twee kampen over het nut van een noodwet voor stikstofuitstoot. Overleg helpt dan.

Snelweg A27 nabij Knooppunt Amelisweerd te Utrecht. Beeld Marcel van den Bergh

De problemen met uitstoot van stikstof met schadelijke effecten op natuurgebieden verdeelt Nederland in twee kampen. De eerste groep roept: ‘Nederland gaat op slot. Kom snel met een noodwet, zodat de aanleg van wegen en realisatie van bouwplannen door kan gaan.’ Het ­andere kamp huldigt een tegenoverstelde opinie: ‘Prima, dat rechterlijk verbod. Schrap alle plannen die ­milieu en natuur aantasten. Tijd voor echte duurzaamheid.’

Nederland kent met enige regelmaat dit soort incidenten, soms als direct gevolg van Europese wetgeving, vaker door de Nederlandse uitwerking van die regels en een enkele keer door een rechterlijke uitspraak. Ik roep bijvoorbeeld de korenwolf in herinnering, die rond 2000 opdook en de fijnstofnorm (2005), die bouwplannen vlak voor de finish deed stranden.

Kenners weten: een beetje herrie maken bij dit soort impasses kan geen kwaad, want dan gebeurt er ­tenminste wat. Zonder tamtam – liefst met ideeën voor een noodwet of een Deltaplan – scoort het thema niet op de politieke agenda. Dan komt er wel een ambtelijke werkgroep, maar die loopt vervolgens vast op verdeeldheid tussen de betrokken departementen.

De publicitaire ophef rond de stikstof heeft in eerste instantie zijn werk gedaan. Minister Schouten van Landbouw en Natuur heeft een commissie onder leiding van Johan Remkes aangewezen die binnen twee maanden een kortetermijnadvies moet uitbrengen over de problematiek.

Urgentie

Ik schat dat het advies van Remkes vier elementen zal bevatten. In de eerste plaats zal blijken dat op een beperkt aantal fronten niet meer valt te ontkomen aan fundamentele keuzen. Maatschappelijke discussies die al een tijd gaande zijn, krijgen nu zo’n urgentie dat de politieke geluidsbarrière wordt doorbroken. Het gaat in ieder geval gelden voor verkleining van de veestapel. Voor andere sectoren als wegverkeer en luchtvaart zit dat er niet in, althans niet nu. Verlaging van de maximumsnelheid is niet als fundamenteel te duiden, hoe fanatiek de VVD zich daartegen ook mag verzetten.

Het tweede type maatregelen heeft betrekking op de inhoud van infra- en bouwplannen die op dit moment wankelen en een nieuwe generatie plannen die in de steigers staat. Daarin moeten natuur en landschap een prominentere rol gaan spelen. Als randvoorwaarde geldt de beschikking over een ruim overheidsbudget om excellente, integrale plannen te kunnen bekostigen. Dat was het geval bij het succesvolle waterveiligheidsprogramma Ruimte voor de Rivier.

Voor het derde instrument kunnen we terecht in de natuurwetgeving zelf. Die maakt het mogelijk bij een project van groot openbaar belang en het ontbreken van alternatieve oplossingen, de stikstofuitstoot te overschrijden. Mits het verlies aan ecologische waarden wordt gecompenseerd. Volgens de milieufundi’s gaat het hier om een truc, maar dat is onjuist. De ontheffing heeft altijd in de wet gestaan. Uit een recente uitspraak van de Raad van State blijkt dat het openbare belang ook lokaal van aard kan zijn, zoals de ontsluiting van een bedrijventerrein.

Ondergrens

De afweging van de drie criteria hoort eigenlijk bij uitstek thuis in de arena van de politieke democratie. De rechter zou zich moeten richten op de controle of de overheid zijn huiswerk zorgvuldig heeft gemaakt. Het blijft een beoordelingskwestie, het is geen exacte wetenschap.

De laatste aanbeveling zou ik algemeen willen formuleren: hou het praktisch en pragmatisch. Formuleer bijvoorbeeld een ondergrens voor de stikstofdepositie, waar beneden het negatieve effect op de natuur zo minimaal is dat men van aantasting niet kan spreken.

Ook in andere dossiers zien we dat overheid en investeerders tonnen, soms miljoenen moeten uitgeven aan onderzoeken, technische en juridische adviezen en het nemen van maatregelen die in geen verhouding meer staan tot het inhoudelijk resultaat.

Een voorbeeld uit de praktijk. ­Decennialang moest de vervuilde ­bodem onder nieuwbouwplannen in de stad – waar voorheen bedrijven ­waren gevestigd – superschoon worden gemaakt. De ondergrond van het omringende bewoonde gebied bleef even vuil als voorheen; dat leverde geen gezondheidsgevaar op, tenzij een kind elke dag een kilo van die grond zou eten.

De vier aanbevelingen vergen natuurlijk uitwerking en uitbreiding. Voor een deel komen ze tegemoet aan de inzet van de ‘ecofundi’s’ en voor een deel aan de ‘bouwfanaten’. Nog steeds valt dus met het poldermodel resultaat te boeken, maar dan wel met de juiste keuzen en door de zaak niet te laten versloffen.

Friso de Zeeuw is emeritus hoog­leraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden