ColumnChris Oostdam

Met een ziekte zoals ik die heb, kan het belang van goeie prikkers niet worden overschat

Er wordt heel wat afgeprikt in het ziekenhuis. En littekenweefsel maakt het iedere keer weer moeilijker.

Met een ziekte zoals ik die heb, kan het belang van goeie prikkers niet ­worden overschat. Want er wordt heel wat afgeprikt. In het beginstadium van mijn ziekte was het om de haverklap raak: bloed afnemen, medicijnen toedienen, controles, onderzoeken. Ik heb het niet geteld, maar het waren heel wat keren. Nu is er sprake van een vast patroon en zit er ­regelmaat in.

Ik krijg mijn kuur elke drie ­weken. Dat betekent elke drie ­weken twee keer prikken; één keer om bloed af te nemen dat wordt onderzocht, en één keer om het infuus aan te brengen waarmee het medicijn wordt toegediend. Ik heb wel eens geopperd dat te combineren, maar dat is vanwege hygiënische overwegingen niet mogelijk.

Verder wordt er elke zes weken een scan gemaakt. In het begin was dat vaak een gecombineerde PET- en CT-scan, nu meestal ­alleen een CT-scan. Straks, als ­alles goed blijft gaan, wordt nog maar eens in de twaalf weken een scan gemaakt. De scans zijn nodig om het verloop van de ziekte te kunnen volgen. Beide scans laten, ieder op hun eigen manier, de ontwikkeling van de kankercellen in mijn lichaam zien. Daarvoor wordt een ­contrastvloeistof ingespoten, ­radioactief spul voor de PET-scan en jodiumhoudende contrast­vloeistof voor de CT-scan. Dat gaat beide via een infuus.

Ik heb prachtige aders. Die ­lopen als blauwe riviertjes over mijn handen en armen. En als het maar een beetje warm is ­liggen ze er al duidelijk bovenop. Ook de meeste verpleeg­kundigen zijn erg tevreden met mijn aders. Verbazingwekkend genoeg gaat het soms toch nog een beetje mis en heb ik een paar dagen een blauwe plek. Meestal gaat het goed, merk ik er niet veel van – al moet ik er niet naar ­kijken – en houdt het bloeden na het verwijderen van de naald ook snel weer op.

Maar elke prik geeft een heel klein beetje littekenweefsel en ik merk dat mijn aders op de plekken waar ik vaak geprikt wordt ietsjepietsje weerbarstiger ­worden. Dat zal in de loop der tijd steeds wat erger worden. Ik word het liefst geprikt aan de binnenkant van mijn elleboog en laat me afwisselend links en rechts prikken.

Op de bloedpoli is het gebruikelijk aan de binnenkant van de ellebogen te prikken, maar bij het aanleggen van een infuus moet ik er specifiek om vragen. Daar prikken ze liever in je ­onderarm. Dan kun je je arm vrijer bewegen. Maar ik heb pijnlijke herinneringen aan het prikken op die plek, dus dat stel ik uit totdat het niet meer anders kan.

Op het dagcentrum, waar ik mijn medicijn krijg toe­gediend, zie ik soms mensen waarbij het prikken heel wat meer problemen oplevert dan bij mij. Ik ben daar, alles bij elkaar, een klein uur. Ik heb wel mee­gemaakt dat in de tijd dat ik mijn kuur kreeg toegediend, twee verpleeg­kundigen bezig waren met het aanleggen van een infuus bij een vrouw twee bedden verderop. Zij was er al toen ik kwam. Toen ik wegging, was het nog niet ­gelukt. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden