ColumnKatinka Polderman

Met de doorweekte mouw van zijn jas veegt hij mijn gezicht nog natter. ‘Zo’

De regen hangt massief in de straten, alsof de wereld een reusachtig aquarium is geworden, en ik sta op het coronaproof gescheiden stukje plein waar de moeders van groep 1 op samenklonteren. Drijfnat, want toen ik net uit mijn raam keek dacht ik dat het wel meeviel, en toen het niet mee bleek te vallen had ik geen tijd meer om de paraplu te vinden. Wie op twee minuten van school woont vertrekt altijd te laat en wie leeft en opbergt als ik (‘associatief impulsief’) moet altijd naar alles op zoek.

Ik luister naar het plat Bosch geklaag over de gewone lestijden die na de zomervakantie aangehouden worden, dat een continurooster toch véél beter (lees: handiger voor hen) zou zijn, en ik denk aan het schooljaar dat bijna voorbij is en waarin mijn zoon vanaf zijn verjaardag in januari in totaal een krappe drie maanden naar school ging.

Ik denk aan hoe mijn zoon elke ochtend met zijn wapperende lange haren het schoolgebouw binnen rent, aan de verzameling schoentjes van klasgenoten op onze deurmat tussen de middag, de ten bate van speeltijd snel naar binnen gepropte worstenbroodjes, en aan het volgende schooljaar, zijn klas waarvan bijna de helft na de vakantie naar andere scholen gaat, scholen met een continurooster en zonder slecht gevallen fusie.

Aan alles wat voorbijgaat denk ik, en alles wat verandert, aan zijn kleine land van melk en honing waarvan er na de zomer, als de stoeltjes van zijn vriendjes leeg blijven, net iets minder melk en net iets minder honing zal zijn.

De deur zwiept open en er komt een kleurige slinger kleuters naar buiten, mijn zoon hand in hand met zijn vaste speelkameraad.

We fietsen naar de visboer op het plein, hij in het zitje achterop, in het mandje voorop zijn allengs doorweektere rugzak – hoe lang is Nijntje nog cool genoeg? Hij vertelt over zijn schooldag terwijl ik behoedzaam tussen de auto’s door slinger.

In het te kleine keetje van de visboer luisteren we druipend naar het gekletter op het dak. Als ik zijn kibbeling heb besteld komt mijn zoon voor me staan en kijkt me aan.

‘Ooo mama’, zegt hij. ‘Kom eens hier.’

Hij trekt me aan mijn jas omlaag, liefdevol en doortastend, ongeveer zoals Hugh Grant dat zou doen in een romantische komedie.

‘Je hele gezicht is nat.’

Met de doorweekte mouw van zijn jas veegt hij mijn gezicht nog natter.

‘Zo.’

Als de kibbeling klaar is fietsen we naar huis, onze dampende buit naast zijn Nijntje-tas in het fietsmandje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden