Mensen en dieren zijn niet gelijkwaardig. Mensen zijn veel belangrijker

Je hebt mensen en je hebt dieren. Dieren brullen zomaar en schijten overal, mensen lopen rechtop en ergeren zich kapot aan het accent van die ene nieuwslezer. We zijn dus heel verschillend. Maar soms zijn er ook overeenkomsten. Dan lijkt ergens een bouvier echt krankzinnig veel op zijn baasje of zit die gekke buurman opeens in zijn voortuin te kakken. Kostelijk.

Tot het opeens niet leuk meer is. Het verhaal over de kuifmakaak die auteursrecht kreeg over zijn eigen 'selfie', dat ging nog wel. De menselijke status van die aap vormt geen enkele bedreiging voor onze manier van leven: zelfs als de makaken straks met hun belachelijk lage tarieven alle homo sapiens-fotografen uit de markt werken, zullen de meeste van ons daarvan niet wakker liggen. Apen zijn tenslotte lollig en hadden die fotografen maar een vak moeten leren.

Het gaat pas mis wanneer dieren die nu nog als voedsel dienen worden vermenselijkt. De zaak Roos Vonk, waarin een hoogleraar sociale psychologie de bio-industrie vergeleek met de Holocaust, houdt de gemoederen nu al wekenlang in de hoogste staat van verontwaardiging. Het begon toen Vonk schreef dat de schaal en de methode van de huidige veehouderij vergelijkbaar is met de manier waarop de mens ooit slaven hield of Joden vernietigde, en leidde uiteindelijk tot een publieke afkeuring door het College van Bestuur van haar eigen universiteit.

Dat zo'n vergelijking voor ophef zou zorgen, had iedereen kunnen voorspellen. Vonk zelf vast ook. Maar zo massaal als deze uitspraak uit zijn verband is gerukt, dat is toch wel bijzonder. Een briefschrijver in de NRC vond de vergelijking bijvoorbeeld mank gaan omdat varkens worden afgeslacht als voedsel, terwijl de Joden werden uitgeroeid omdat Hitler ze als een gevaar zag. Met andere woorden: als die Joden nu massaal waren vetgemest en opgegeten, dán had je een goede vergelijking.

De scherpste reactie op Vonk, zo schreef Elma Drayer gisteren, was die van Frits Barend in Het Parool. Barend lijkt oprecht te geloven dat Vonk zijn grootouders, vermoord door de nazi's, op één lijn stelt met mestvarkens. Hij richt zijn betoog daarom vooral op de verschillen tussen mens en dier. Die zijn werkelijk gigantisch: 'Elk kind kan je wijzen op de verschillen tussen mens en dier', schrijft hij. 'Het dier, dat zich in 2017 nog net zo gedraagt als het dier voor de jaartelling. Beesten die elkaar wreed afslachten in de jungle. Het drachtige teefje dat door de eerste de beste straathond wordt besprongen. Professor Vonk acht het hopelijk ook een teken van menselijke beschaving dat ze tijdens de ovulatie niet wordt besprongen door de eerste de beste voorbijganger?'

Die zit. Vraag niet waar, maar vast wel ergens.

Of de vergelijking van Vonk erg nuttig zal blijken in de strijd tegen dierenmishandeling betwijfel ik. Maar de reacties erop zijn een mooi bewijs van een groot, nauwelijks begaanbaar gebied in het menselijk denken. Want nee, mensen en dieren zijn niet gelijkwaardig. Mensen zijn veel belangrijker. Maar hoe veel dan precies? Vroeger was het makkelijk: onze uitzonderingspositie staat duidelijk in de Bijbel, wij zijn gewoon de baas. Klaar. Maar nu is er de wetenschap en die leert ons dat dieren niet alleen een soort familie zijn, ze kunnen ook echt een klein beetje denken - en lijden, als je ze martelt.

Wat moeten we daarmee? Hoe distilleer je daar een rationele, bruikbare ethiek uit? Kunnen we formules bedenken voor het statusverschil tussen mens en dier?

Als er twaalf marmotten moeten worden geplet om één kind met kanker te redden, rijd ik fluitend over ze heen. Twaalfhonderd ook nog wel. Denk ik. Maar hoeveel katten zouden we wurgen om een dwarslaesie te genezen? Of, iets minder absurd, hoeveel pijn mogen hoeveel varkens hebben, en hoe lang, voor iets goedkopere worst?

Zulke vragen stellen is heel makkelijk, maar antwoorden vinden is nog knap lastig. Laat staan om naar die antwoorden te handelen, zeker als hartstochtelijk carnivoor.

Op mijn werk heb ik vorige week bijvoorbeeld één keertje geen vleesbeleg op mijn brood gedaan, uit principe, en nu ben ik al drie dagen zo trots als een aap. Letterlijk. Sterker nog: het voelt een beetje alsof ik in het verzet zit.