Column Asha ten Broeke

Meestal zijn Sire-campagnes betuttelend, maar deze keer hadden ze wel een punt

Asha ten Broeke

Een van de grote voordelen van Sire-campagnes is dat je je er even lekker aan kunt ergeren. De slogan is altijd kazig met een snufje betutteling: ‘Waardeer het, repareer het!’ Het reclamespotje is steevast een tikkie wereldvreemd. Deze keer worden we opgeroepen om vooral onze lievelingsspijkerbroek niet tot poetslap te reduceren; blijkbaar zat er niemand bij de brainstormsessies die weet dat je zulke lappen niet van jeans maakt, maar van oude T-shirts. En dan is er nog de traditioneel tenenkrommende website, die ons op net-niet-grappige, maar net-wel-bevoogdende wijze aanmoedigt onze spullen op te lappen in plaats van weg te gooien: ‘Als ik handen had’, zegt de site, ‘zou ik je highfiven!’

De enige domper op dit goedgemutste gemopper is dat Sire dit jaar voor de verandering wel een punt heeft. In de zaterdagkrant las ik dat we per persoon elk jaar gemiddeld 15 kilo textiel, 18 kilo elektrische ­apparaten en 16 kilo meubels en speelgoed en dergelijke weggooien. Vooral dat textielcijfer trof me: 15 kilo, dat is toch al snel zo’n 60 T-shirts, of 20 dikke truien, misschien wel 30 broeken. Goed combinerend feitje dat ik eens in NRC las: mede omdat we kleding zo gemakkelijk afdanken, is de mode-industrie na olie de grootste vervuiler ter wereld.

Naar schatting had een kwart tot de helft van die spullen nog gerepareerd kunnen worden. En dat blijkt, als extragratisbonus, ook nog goed te zijn voor de ziel: maar liefst 91 procent van de mensen die iets heeft gefikst, voelt zich daarna trots. A je to.

Nu wil het toeval dat ik onlangs een interessant boek las over fiksen, trots en ziel: Shop class as soulcraft. Het is geschreven door Matthew B. Crawford, een filosoof die een prestigieuze baan bij een denktank opgaf om motoren te gaan repareren. Zijn pleidooi: het is waardevol om dingen te maken en op te knappen. Ik wil daar zelf graag aan toevoegen: als dat tot je mogelijkheden behoort. Ik weet uit ervaring hoe ziektes en beperkingen je handen buiten werking kunnen stellen.

Crawford wil een lans breken ‘voor een ideaal dat tijdloos is maar tegenwoordig weinig gehoor vindt: goed met je handen kunnen werken, en de houding die dat oplevert ten opzichte van de gebouwde, materiële wereld.’ Dit is inderdaad een prettig tegendraadse gedachte in een tijd waarin vooral de zoete lof van de kenniseconomie en de (niet-handenarbeidende) middenklasse uitgebreid bezongen wordt. Ik moest denken aan Bert, die dinsdag in de column van Toine Heijmans vertelde dat op de vmbo-school waar hij docent was ‘werken met de handen als inferieur wordt gezien. Iedereen moet middenklasse worden, dat is het ideaal: een leven op kantoor.’

Niet volgens Crawford. Hij vindt dat er, om te beginnen, sprake is van een valse tegenstelling: handen versus hoofd, kennis versus ambacht. Met je handen werken kan juist veel kennis en ervaring vereisen. Niet als je achter de lopende band staat, geeft hij toe, maar wel als je een ­motor repareert, kleding naait, ­leidingwerk aanlegt, een tafel maakt, een trui breit. Tijdens zo’n proces moet je constant nadenken, analyseren, evalueren, improviseren en nieuwe creatieve oplossingen verzinnen. Het is tegelijkertijd technisch en weloverwogen.

Bovendien kan werken met je ­handen je een besef van agency geven: een gevoel dat je de regie hebt over je jezelf en je omgeving, dat je zelfredzaam bent, een handelend mens in plaats van een radertje in de kapitalistische machine. Door dingen te bouwen, repareren en onderhouden kan een belangrijk en vaak verwaarloosd deel van onze menselijke aard tot bloei komen, betoogt Crawford. We waren gereedschapsgebruikers lang voordat we consumenten waren.

Een maker – of, voor wie dat niet kan zijn: iemand die dingen laat ­maken en opknappen – verhoudt zich dan ook op een andere manier tot spullen dan een pure consument. Iets kopen is een relatief eenvoudig en passief proces: de voornaamste kwestie is of een aankoop je behoeftes bevredigt. Vervolgens zijn die spullen er voor jou. Maar als, zeg, je wasmachine stuk gaat en je wilt haar repareren, dan moet je als mens ook dienstbaar zijn aan het apparaat, stelt Crawford. Je verhouding tot de materiële wereld wordt actiever, ­wederkeriger en duurzamer: je moet je afvragen wat de wasmachine ­nodig heeft, aandacht voor haar hebben, je verantwoordelijk voor haar voelen.

Haar ‘waarderen’, zouden ze bij Sire zeggen. Vooruit dan maar.

Asha ten Broeke is wetenschapsjournalist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden