Opinie Rutte en De Witt

Mark Rutte ‘spiekt’ bij Johan De Witt. Toch zijn er een aantal verschillen tussen de twee

In zijn pleidooi voor de afschaffing van de dividendbelasting en het belang van het Nederlandse vestigingsklimaat echode Mark Rutte de beroemde staatsman Johan de Witt. Maar terwijl De Witt succesvol was, moest Rutte zijn plannen wijzigen.

Staatshouder Johan de Witt door Lambert Visher. Beeld Hollandse Hoogte / Lebrecht Musi

Mark Rutte is niet alleen premier van Nederland, hij is ook leraar. Een dagdeel per week geeft hij maatschappijleer aan de Johan de Witt Scholengroep in Den Haag. Het is echter in zijn hoedanigheid van minister-president dat Rutte lijkt te hebben ‘gespiekt’ bij Johan de Witt (1625-1672), die we met enige welwillendheid zijn voorganger kunnen noemen. Dat heeft alles te maken met de dividendbelasting en de zeventiende-eeuwse Nederlandse handel in graan uit het Oostzeegebied.

Deze week werd bekendgemaakt dat de dividendbelasting definitief niet wordt afgeschaft. Rutte was groot voorstander van de afschaffing. Als belangrijkste argument noemde hij het Nederlandse vestigingsklimaat, dat door de maatregel aantrekkelijker zou worden voor multinationals. Dit argument werd zo vaak genoemd, dat er sinds een jaar een enorme toename valt te constateren in het gebruik van het woord ‘vestigingsklimaat’ in de Nederlandse pers.

Een goed vestigingsklimaat leidt tot meer werkgelegenheid en dus tot een gezondere economie, zo was de redenering. ‘Zouden we dit niet doen, en dat geloof ik tot in mijn diepste vezels’, zo sprak de premier tijdens een debat in de Tweede Kamer, ‘dan prijzen we Nederland uit de markt en dat gaat ten koste van de werkgelegenheid.’ Alle oppositie en cijfers van het CPB ten spijt, leek de dividendbelasting daarom zijn langste tijd te hebben gehad, totdat Unilever roet in Ruttes eten gooide.

Het vestigingsklimaat in de zeventiende eeuw

In 1671 verkeerde Johan de Witt in een soortgelijke situatie als Rutte nu. Voor de zeventiende-eeuwse Nederlandse Republiek was de handel in graan uit het Baltische Zeegebied (voornamelijk Polen) van levensbelang. Met name Amsterdam was hierdoor bijzonder welvarend geworden. Toch hadden de Staten van Zeeland maatregelen voorgesteld waardoor de import van dit graan zwaarder belast zou worden. Dat zou immers bevorderlijk zijn voor de binnenlandse landbouw. Van dit soort protectionisme moest Johan de Witt niets hebben. Als raadpensionaris van Holland, een van de machtigste functies van het land, nam hij het in een vlammende toespraak (Deductie genaamd) op voor een zo vrij mogelijke internationale graanhandel.

De Witts argumentatie vertoont opvallende gelijkenissen met de redenering van Mark Rutte. De Witt noemde het woord natuurlijk niet letterlijk, maar ook voor hem was het vestigingsklimaat doorslaggevend: door een belastingverhoging zou Amsterdam zijn rol als graanstapelmarkt kunnen verliezen, omdat buitenlandse handelaren konden vertrekken naar bijvoorbeeld Gdańsk (Danzig) of Hamburg. De winsten die de Republiek maakte op de graanhandel zouden verdampen en de prijzen van graan zouden stijgen. Het Nederlandse volk zou daarvan de dupe zijn.

Een pakkende benaming

Bovendien benadrukte De Witt het historische belang en de voordelen van wat hij de ‘Moeder-Commercie’ noemde. Hoewel de Staten van Zeeland het niet eens waren met deze benaming, is in de loop der tijd het idee ontstaan dat termen als moedercommercie of moedernegotie in de zeventiende-eeuwse Republiek algemeen gangbare omschrijvingen waren van de handel in graan uit de Oostzee. Uiteindelijk was De Witt succesvol en werd de voorgestelde belastingverhoging van tafel geveegd.

De voor Rutte vlijende vergelijking met De Witt vormt een goede illustratie van de eeuwenoude geschiedenis van het Nederlandse liberalisme. Beide mannen kwamen op voor de vrijheid van de handel met buitenlandse partners, waarbij zowel De Witt als Rutte het Nederlandse vestigingsklimaat als uitgangspunt nam. Ook voorspelden ze desastreuze gevolgen, bijvoorbeeld voor de werkgelegenheid, als ze niet hun zin zouden krijgen.

Toch heeft Rutte zijn plannen moeten bijstellen. Misschien mogen we van geluk spreken dat de premier niet beter heeft ‘gespiekt’ bij zijn befaamde voorganger en diens ‘Moeder-Commercie’. Wie weet wat een pakkende benaming voor multinationals als Unilever en Shell nog had kunnen betekenen voor de dividendbelasting?

Paul Hulsenboom is promovendus bij de afdeling Nederlandse Taal en Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden