Makkelijk praten, moeilijk kiezen

Zou ik in mijn vorige column (10 juli) zo heldhaftig hebben durven schrijven over de noodzaak artsen houvast te bieden bij het tegen elkaar afwegen van steeds duurdere medische behandelingen, als ik zelf kanker zou hebben gehad? Ik kreeg deze vraag per kerende post retour, en terecht. Ik heb makkelijk oordelen, ook waar. Maar mijn punt is vooral dat we ons moeten realiseren dat de afweging nu vooral door artsen wordt gemaakt en dat zij daarbij misschien meer hulp nodig hebben dan wij hen nu geven.

Het helpt misschien als we ons bedenken dat er veel voorbeelden zijn te vinden waaruit blijkt dat overheden constant maatregelen nemen waarbij afgewogen moet worden hoeveel het mag kosten een extra mensenleven te redden of een extra dode te voorkomen.Welk extra risico op verkeersdoden brengt verhoging van de maximumsnelheid met zich mee? Hoe ver moet het risico op dodelijke ongelukken worden teruggebracht voor je vindt dat er sprake is van 'genoeg' verplichte veiligheidsvoorzieningen aan een auto? Hoeveel zijn we bereid te investeren in schonere lucht als daar levens mee gered worden? Hoeveel milieuregels zijn we bereid af te schaffen als daar welvaartswinst tegenover staat? Hoeveel meer willen we uitgeven aan blauw op straat als daar de vermindering van kans op moord of doodslag tegenover staat?

Conclusies

Economen zullen dit soort problemen al snel proberen op te lossen met behulp van de afweging rond de 'marginale' of 'extra' euro: je zou je laatste extra euro daar moeten uitgeven waar de welvaartswinst (of: gezondheidswinst; of: vermeden doden; of: gewonnen levensjaren) het grootst is. Theoretisch kloppend, maar in de praktijk werkt het natuurlijk niet zo. Het zou immers betekenen dat je niet mag uitsluiten dat het economisch voordeliger is al onze belastingcenten uit te geven aan gezondheidspreventie, voorlichting, opvoeding, onderwijs en alfabetisering en niet aan ziekenhuizen, snelwegen en soldaten. De praktijk is dat we schotten plaatsen tussen verschillende categorieën overheidsuitgaven en daarbinnen proberen te optimaliseren.

In een ziekenhuis is het niet anders. Ook nu al worden er in elk ziekenhuis door bestuurders als ikzelf elke dag weer keuzes gemaakt of het schaarse geld uitgegeven moet worden aan de behandeling van vele diabetespatiënten, enkele patiënten die van geslacht willen veranderen of één patiënt in een vergevorderd stadium van kanker. Nooit zal dat tot de situatie leiden dat een ziekenhuisbestuurder of een arts zal beslissen al zijn geld maar aan één type patiënt uit te geven. Het moge economisch dan niet per se optimaal zijn, verdelende rechtvaardigheid is bij dit soort afwegingen een groot goed.

Conclusies

Voor de actuele discussie over een eventueel 'prijsplafond' voor dure medicijnen of dure medische behandelingen leidt deze observatie tot de volgende conclusies.

Eén: op allerlei terreinen van overheidsbeleid worden constant keuzes gemaakt waarbij de kosten van beleid worden afgewogen tegen de baten in termen van mensenlevens; binnen en buiten de gezondheidszorg.

Twee: er is daarbij gelukkig ruimte voor nuance en afweging. Gezondheid en ziekte zijn complexer dan in een simpel economisch algoritme valt te vangen. Iedereen moet zo veel mogelijk recht worden gedaan.

Drie: binnen de budgetten die zij hebben, maken ook artsen nu al moeilijke keuzes. Getuige een recente enquête van het tv-prormma EénVandaag waarbij 70 procent van de artsen zich voorstander toonde van de invoering van een vorm van prijsplafond, vinden de artsen deze afweging steeds moeilijker te maken; bijvoorbeeld omdat medicijnen steeds individueler en steeds duurder worden. Zo betrekken oncologen in alle ziekenhuizen bij de vraag of iets wel of niet zinvol medisch handelen is, nu al de vraag of er zicht is op meer of minder dan 2 maanden verlenging van de levensduur. Een moedige en moeilijke afweging, omdat de precieze effecten voor een individu niet te voorspellen zijn. Vervolgens ontbreken alle handvatten om de vraag te kunnen beantwoorden hoeveel het redelijkerwijs zou mogen kosten om 3 of 4 maanden levensverlenging te kunnen bieden, of een jaar of twee jaar, laat staan hoe je dat met elkaar vergelijkt.

Toen ik vorige maand pleitte voor het ontwikkelen van gemeenschappelijke taal en maatstaven om dat soort vragen te beantwoorden, had ik deze artsen en dit soort afwegingen voor ogen. Het blijft makkelijk praten, maar misschien kunnen we helpen bij dat moeilijke kiezen. Daarover een volgende keer meer.

Wouter Bos is econoom en politicoloog.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden