Mag ik zelf nog uitmaken hoe ongezond ik wil leven?

Hij rookt, drinkt, eet graag zout en weet dat dat ongezond is. Toch wil Marcel van Lieshout het recht hebben om zich doof te houden voor de missionarissen van de gezondheidscultuur.

Foto Pieter van Eenoge

Bij de opkomst van de antirookbeweging, in de jaren tachtig van de vorige eeuw, leek het de krant raadzaam als tegengeluid een pro-rokenartikel te publiceren. Dat roken slecht is en de tabaksindustrie alles verdoezelt, was al sinds begin jaren zestig bekend. Twintig jaar later groeide het maatschappelijk verzet, onder meer dankzij de Club van Actieve Niet-rokers (CAN) die zich nu Clean Air Nederland noemt. Deze CAN bereikte onlangs dat rookruimtes in de horeca worden gesloten.

Het pro-rokenartikel verscheen op 15 augustus 1987 in de zaterdagbijlage. Het kostte de krant abonnees. Ook op de redactie zelf, waar nog gerookt werd en de peukjes verdwenen in de leeggedronken halveliterflesjes van Heineken die op de bureaus stonden, leidde het artikel tot heftige discussie.

Er was ook bijval voor mij, de auteur van het stuk. 40 procent van de volwassen bevolking rookte nog, onder journalisten lag het percentage nog hoger. Lifestyle en keuzevrijheid, hoor ik mezelf en die anderen nog zeggen.

De krant mocht dan lezers hebben verloren, ik hield wel wat aan het artikel over, namelijk een nieuwe vriendin. Ze had het stuk met plezier en instemming gelezen. Toen ze er in het Haagse café Het Proeflokaal barkeeper John op aansprak zei die: ‘Kijk, daar zit de auteur.’

Ik was weer eens bezig met mijn leven te bekorten, daar op die augustusdag in het café. Ik rookte en dronk bier.

Overal gevaar

Ongezonde dingen doen, dat deed ik toen al veel te vaak. Ook wat betreft eten. Dat is de ramp van veel lekkere dingen in het leven; suiker, zout, alcohol, tabak. In wezen zijn ze ongezond. Het is het gemene van het leven. Je wilt er wel deelgenoot van zijn, je moet wel, maar overal loert het gevaar.

Nu, bijna 31 jaar later ben ik verbannen naar een rookhokje nabij de toiletten. Vanaf die ‘werkplek’ zie ik de trein en soms ook een enorm cruiseschip. Dat zet aan tot mijmeren, dus zo erg is die verbanning niet.

Het sluiten van rookhokken in publieke ruimtes zie ik als vooruitgang. Je moet er nu niet meer aan denken dat je moet eten in een restaurant dat blauw staat van de rook. Jammer voor menige horeca-exploitant, maar zijn of haar zaak is publieke ruimte, naar de wet, en daar heeft de overheid iets over te zeggen.

Toch maakte strijd tegen ‘roken’ mij onlangs ineens kwaad. Tabak had er niets mee van doen. De krant meldde dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de eeuwenoude traditie paasvuren ging onderzoeken. Vanwege de rookoverlast. Die kwestie heeft ook tot Kamervragen geleid.

Foto Pieter van Eenoge

De overlast van paasvuren, een traditie in het oosten van het land, bestaat niet alleen uit geur, maar ook uit de uitstoot. De Stichting Houtrookvrij, die ook strijdt tegen open haarden, wees erop dat paasvuren nu nog niet onder emissieregistratie vallen. Dat duurt niet lang meer.

Waarom ontplofte er iets in me, door dat gedoe met die paasvuren? Zelfs sommige klimaatsceptici geven toe dat menselijk handelen bijdraagt aan vervuilende emissie. Dus als we enige invloed kunnen hebben op die uitstoot dan is dat toch niet zo erg?

Mogen en moeten

Mijn woede werd gevoed door de werkwoorden ‘mogen’ en ‘moeten’, zo leerde zelfonderzoek. En dat dan in relatie met gezondheid. En dat dan ook weer in relatie met de zin of – excuus voor de zwaarwichtigheid – het doel van het bestaan. Want voor velen is dat kennelijk het volgende: er zo lang mogelijk deelgenoot van zijn.

Wie dat vindt, bepaalt vaak dat niets meer mag. Iedere dag staat de krant vol met dingen die niet mogen. Ik mag niet roken. Ik mag geen suiker. Ik mag geen zout. Vlees, mag ik ook niet. Alcohol. ‘Ook dat ene glaasje rode wijn per dag is ongezond’, kopte de krant gisteren nog. Zuivel, om de zoveel jaren ineens weer fout.

En van hen die vinden dat de existentie zo lang mogelijk gerekt dient te worden, moet ik dus heel veel dingen. Dat bepaalt de vigerende gezondheidscultuur. Ik moet sporten. Ik moet speltbrood eten. Ik moet niet zo cynisch doen en al helemaal niet boos worden over een RIVM-onderzoek naar de schadelijke gevolgen van paasvuren.

In dertig jaar, gerekend naar dat gewraakte artikel van 1987, heb ik de gezondheidscultus zien opkomen. Onberoerd liet die me niet, ieder mens valt vroeg of laat voor een trend. Ik heb ook een hybride sportfiets aangeschaft. Waarmee ik natuurlijk weer – heel ongezond – ben gevallen zodat ik nu een prothese in mijn schouder heb.

Maar de wens om zelf mijn leven te bepalen, zelf te bepalen welke ongezonde dingen ik wel en niet doe, heb ik nooit door trends laten beïnvloeden. Want dat is toch de wezensvraag bij al dat gepeins over moeten en mogen: heeft de mens straks nog het recht om zichzelf te gronde richten? Mag ik ongezond leven? Wie schaad ik als ik kies voor ongezond leven?

Vooruitgang

Teruglezend in mijn stuk uit 1987 is er in mijn denken wel wat verschoven. Dat noem ik maar vooruitgang. Roken vind ik allang geen levensstijl meer maar inderdaad een verslaving waar je niet trots op hoeft te zijn. Dat beantwoordt nog niet de vraag of een mens het recht heeft zich doof te houden voor de missionarissen van de gezondheidscultus.

Anderzijds houden redeneringen uit dat stuk van 1987 nog steeds stand. Zoals: de maatschappelijke kosten van roken vallen reuze mee. Zeker in vergelijking met die van andere foute en lekkere dingen in het leven, zoals alcohol drinken en vet eten.

De roker draagt op jaarbasis (nu: 2,5 miljard euro) heel wat accijns bij aan de staatskas, sterft vaak voortijdig en na een kort ziekbed. Dat is een positieve bijdrage aan de uit de handen lopende kosten in de gezondheidszorg. Met zijn relatief korte levensspanne helpt de roker bovendiende pensioenfondsen er bovenop.

Waar ik het hoe dan ook niet mee eens ben, is dat de existentie daar is om er per se zo lang mogelijk deelgenoot van te zijn. Dat herinnert me er aan dat ik mijn euthanasieverklaring moet verversen. Als we allemaal alleen maar als doel hebben minstens de 100 jaar te halen, dan leidt dát pas tot problemen.

We zijn er dan op enig moment echt met te velen. En omdat wij, mensen dus, ambivalent genoeg heel vaak de hand hebben in het veroorzaken van ongezonde dingen (zoals luchtvervuiling) is straks het leed niet meer te overzien. Nu al beloven we van alles om het leven gezonder te maken terwijl we die belofte vermoedelijk niet kunnen waarmaken. Zie het klimaatverdrag van Parijs.

Ik neem kennis van de gezondheidscultus en denk: ga je gang, niet-roker, veganist en sportschoolabonnementhouder. Van mij mag veel. Als jullie er bij mij maar niet steeds op aandringen dat ik iets moet, omdat ik ongezond leef. Tenzij ik jullie gezondheid schaad.

Gezondheidscultus

Daarnaast is het mijn overtuiging dat het leven er is om van te genieten. Mij bekruipt langzaam het gevoel dat ik nergens meer aan kan ontsnappen, dat die gezondheidscultus me permanent in de greep houdt.

In de Van Breestraat in Amsterdam-Zuid begon onlangs een vrouw – nadat zij haar enorm grote auto , geen elektrische, kon ik horen – pal naast mij had geparkeerd, ostentatief te hoesten omdat ik, in gedachten verzonken, als vanzelf een sigaret opstak.

Tijdens een redactievergadering kwam het onderwerp alcohol ter sprake waarbij een jonge collega met duidelijke verontwaardiging in haar stem erop wees dat het gevaar dichtbij is: haar vader en moeder drinken na hun pensionering ELKE dag een fles wijn bij het eten! Ik beet op de tong en proefde nog een beetje wijn van de avond tevoren. Wij drinken thuis ons hele leven al ELKE dag een fles wijn bij het eten.

Dat ik almaar alles moet en vooral niks meer mag brengt me helemaal in de war. Zoveel is wel duidelijk. Mag ik hier nog wel zijn, met al mijn slechte gewoonten? Ik word er paranoïde onder.

Zo denk ik te zien dat mensen mij misprijzend beloeren als ik op de markt een stukje foie gras  – veel te vet en ook nog eens dieronvriendelijk –coming 0ut aanschaf en vrees dat iemand me nog eens te lijf gaat.

Naast paranoia heb ik last van cynisme: hoe vaak heb ik al niet tegen veel klanten van Ekoplaza willen zeggen dat ze er ongezond, grauw en dun uitzien? Alsof ze ieder moment kunnen omvallen. Eet eens een stukje vlees, zou ik ze willen toeschreeuwen. Smeer eens roomboter op een wit bolletje.

Coming-out

Na deze coming-out is mijn lot wel getekend. Er zullen wel weer veel mensen boos zijn. Voor alle duidelijkheid: ik pleit helemaal niet voor roken, voor vet eten of fors alcoholgebruik, want ik weet heus wel dat dit ongezond is. Maar ik zou graag eens wat minder met dat mogen en vooral moeten worden geconfronteerd.

Een vettaks, accijns op tabak en alcohol, prima. Van de opbrengst doen we leuke dingen voor ons aller welzijn. Maar een premieverhoging voor ongezonde leefstijl gaat me te ver. Zo is sporten gezond terwijl sporters zelf vaste klanten van de zorg zijn. Topsport is zelfs per definitie ongezond. Moeten Sven Kramer en Niki Terpstra dan meer premie betalen?

Willen we naar een samenleving waarin we permanent worden afgestraft voor onze individuele keuzes? Dat is dan een samenleving waarin solidariteit weinig meer voorstelt.

Aan dit stuk hoef ik geen nieuwe vriendin over te houden. Ik heb een lieve vrouw die er ruwweg net zo over denkt als ik. Ze waarschuwt me als ik iets te drastisch bezig ben met het bekorten van mijn leven. Terecht. Omdat ze zich ook wel eens ‘schuldig’ maakt aan ongezond gedrag – wij houden van wijn en eten héél graag zout – is dat moeten en mogen bij ons thuis niet zo’n punt.

Het begrip van mijn vrouw komt goed uit voor als ik in de toekomst thuis al mijn ongezonde dingen moet gaan doen. Ook geen straf. Door thuis te zijn help je de mensheid echt, betoogt Blaise Pascal, de 17de-eeuwse filosoof die ik graag en veelvuldig citeer: ‘Alle ellende in de wereld komt alleen maar voort uit het feit dat de mens niet rustig thuis blijft zitten.’

Meer over