Opinie

Machiavell-lezing: De wereldcrisis van het plaatselijke nieuws

Hieronder staat de Machiavelli-lezing die Emily Bell op 14 februari heeft gehouden. Emily Bell is hoogleraar aan de Columbia University of Journalism en directeur van het Tow Center for Digital Journalism in New York.

'Toen ik de uitnodiging kreeg om deze lezing te houden, was de vraag of ik wilde spreken over regiojournalistiek. Ik denk dat er vandaag geen serieuzer of belangrijker onderwerp is, dan de kwestie hoe we kunnen zorgen dat de regiojournalistiek kan voortbestaan en van gewicht blijft.

Het gebouw van de uitgever van de Charleston Gazette-Mail in Charleston. Beeld Kenny Kemp

Ik hoor bij de generatie journalisten die eind jaren tachtig begon, in de tijd na de financiële liberalisering en in het begin van de kabeltelevisie. Het was de eerste generatie journalisten die het vak niet leerde in de regiopers, want in diezelfde tijd explodeerde het aantal titels en media-activiteiten door vierentwintiguurs-televisie, kranten die in kleur gingen drukken en golf advertenties. (...)

Tien jaar lang werkte ik als de chef van de digitale editie van The Guardian. We presenteerden fantastische producten en mooie vernieuwingen op het internet, zoals live blogs, podcasts, video's, apps voor de smartphone en ipad. Met veel vernieuwingen waren we de eersten of bijna de eersten; we wonnen alle prijzen. We deden zelfs een experiment dat Guardian Local heette, om te onderzoeken of we met behulp van nieuwe technologie iets konden doen aan het gebrek aan regionale journalistiek, en dan vooral de gemeentepolitiek waar steeds minder journalistieke aandacht voor is.

Kleine proef

Het was een kleine proef in vier steden die twee jaar heeft geduurd. Ik was er erg trots op, ook al werd het niet als een succes beschouwd. Wij pakten een moeilijk probleem aan, en de betrokken mensen waardeerden onze pogingen zeer. Helaas is er een eind aan gekomen door de begrijpelijke beslissing van de krant om meer te verwachten van mondiale groei dan van plaatselijk nieuws.

Dat is een keuze die zoveel media in Groot-Brittannië, de VS en andere landen in de afgelopen twintig jaar hebben gemaakt: snijden in de kosten van regionale edities en de aandacht verleggen naar een steeds grotere, wereldomspannende markt. Het was ook noodzakelijk om een mediabedrijf gaande te houden in een digitale advertentiemarkt die afhing van schaalgrootte.

Het is een van de trends die tot een nationale crisis en zelfs een wereldcrisis hebben geleid. Zonder krachtige regionale journalistiek wordt het hele wezen van de journalistiek aangetast. Niet alleen door de manier waarop we verhalen maken en we omspringen met plaatselijke gevoelens en onderwerpen, maar ook door de manier waarop wijzelf als journalisten worden gezien en tegemoet getreden door burgers, en de mate waarin de journalistiek als metier vertrouwen geniet. (...)

De gebeurtenissen van 2016 waren een schok voor journalisten in Amerika, Groot-Brittannië en elders in de wereld. De verrassende verkiezing van Donald Trump en de schokkende steun voor de Brexit hebben bewezen dat de stedelijke media-elites hun land niet zo goed kenden als ze dachten. In het kielzog van de verkiezingen van 2016 kwamen de onthullingen over het ecosysteem van ons nieuws - over het circuleren van nepnieuws, over het gebruik van Amerikaanse advertentietechnieken om kiezers te bombarderen met buitenlandse propaganda, over de dominantie van sociale media die onverwacht moesten dienen als poortwachters van ons parlement - dat alles liet zien dat we onze eigen nieuwsomgeving evenmin kenden. (...)

Journalistiek hoort bij de democratie als middel om gedeelde feiten openbaar te maken en uit te leggen. Op grond daarvan nemen we gezamenlijk besluiten. Als we niet beschikken over die verhalen, feiten en informatie over onze buurten, onze scholen, ziekenhuizen en onze besturen, dan sluipt het bederf van onderaf in ons zelfbestuur. We kunnen een schitterend huis bouwen maar als er geen fundament is, zal het op zeker moment instorten.

Verwarrende nieuwsomgeving

In het vacuüm als gevolg van een verwarrende en vaak onheldere nieuwsomgeving, waar het dagelijkse contact met journalistiek en nieuws voor veel mensen verloopt via de zoekmachine van Google, de News Feed van Facebook of discussies op Twitter, wordt de waarde van journalistiek en het werk van journalisten makkelijk ondermijnd. Als mensen nooit journalisten ontmoeten uit hun eigen regio, die vorm geven aan hun regionale belangstelling, en die aandacht besteden aan onderwerpen die zij de moeite waard vinden, dan schaadt dat de hele journalistiek.

We hebben nu een president in de VS die journalisten 'de vijanden van het volk' noemt. We hebben eindeloze aantallen opiniepeilingen, meestal van marketingbedrijven, die ons vertellen dat het vertrouwen in de journalistiek zeer laag is. We hebben zeer intelligente cyberpropagandisten die invloed willen uitoefenen op de opinie en het electoraat buiten hun eigen landsgrenzen. We hebben technologische platforms die de content die ze ondersteunen niet op een fatsoenlijke manier willen of kunnen reguleren, en die hun schaalgrootte gebruiken om kwetsbare markten in ontwikkelingslanden te veroveren, zonder zich te bekommeren om de gevolgen daarvan.

De Canadese media-theoreticus Marshall McLuhan zei ooit dat 'de derde Wereldoorlog een guerrilla-informatie-oorlog zal zijn waarin geen onderscheid bestaat tussen militaire en civiele deelnemers.' Als ik kijk naar de trollenfabrieken, cyberlegers en botfarms, dan was McLuhan zijn tijd vooruit. In dit type oorlog is onze eerste verdedigingslinie de lokale nieuwsvoorziening, en de verslaggeving in onze steden, dorpen en buurten. En wanneer de schaal van de nieuwe bedrijven die als poortwachter fungeren groeit tot honderden miljoenen of zelfs miljarden gebruikers, dan kan 'plaatselijk' zelfs een klein land betekenen. Die markten worden dan nevenschade in de snelle expansie van een nieuw ecosysteem van private communicatie.

Nederland

In Nederland is het voor u misschien lastig om wat ik vandaag vertel in verband te brengen met uw eigen media-omgeving. Anders dan in het Verenigd Koninkrijk of Duitsland beschikken jullie over gezonde regionale media, en ofschoon de druk van veranderende technologie en veranderend gebruikersgedrag niet verschilt, kennen jullie stevige publieke omroepen, en veel titels voor een markt die deels wordt beschermd door de taal. En jullie hebben vernieuwing. Het experimentele werk van de Correspondent om een nieuw lidmaatschap te bedenken wordt nu in de VS intensief bestudeerd, net als het nieuwe betalingsmodel van Blendle. Voor een klein land heeft Nederland een uitzonderlijk grote rol in de innovatie van media. Maar ook jullie zijn niet immuun voor de globalisering van commerciële communicatie-technologie, en hoewel jullie verder zijn dan andere landen en andere vernieuwers, moeten ook jullie je voorbereiden op verdere ontwrichting.

De krimp van plaatselijke kranten is niet nieuw. In de VS vechten regionale media al decennia voor hun leven. Kranten die ooit de steden domineerden waarnaar ze waren genoemd, zijn ineen geschrompeld, gefuseerd of niet meer dan een schaduw van hun oude zelf. Sinds 2001 zijn er in krantenbedrijven meer banen verloren gegaan dan in de kolenmijnen, meer dan 60 procent van de 400 duizend arbeidsplaatsen zijn verdwenen, en het verloop gaat nog altijd door. Zelfs als er meer wordt verdiend aan lezers, daalt het inkomen omdat de advertentie-omzet sneller daalt dan andere verdiensten stijgen. Bij elkaar is de omzet van kranten met 20 miljard dollar gedaald, en de regionale markt leed daarbij het grootste verlies. Wel nieuw is het gevoel dat kwaliteit en aanpassingsvermogen niet langer een garantie zijn om verlies te voorkomen.

En verder blijkt de manier waarop commerciële informatiediensten op het web zijn ingericht, in strijd met het idee om ook op de lange termijn kwaliteitsjournalistiek te kunnen leveren.

Terwijl ik vorige week bezig was dit praatje voor te bereiden, vroeg een klein familiebedrijf in kranten, Charleston Newspapers, uitstel van betaling aan.

De Charleston Gazette-Mail is sinds 1907 in handen van dezelfde familie, en nu is de toekomst onzeker geworden. Deze krant geniet nationale faam vanwege de stevige manier waarop ze bestuurders aanpakt. Zo onthulde ze de corruptie van twee gouverneurs die eindigden in de gevangenis. Vorig jaar won een verslaggever, Eric Eyre, een Pulitzer Prize voor zijn verhalen over de drugscrisis, met onthullingen over schokkende hoeveelheden drugs die omgingen dankzij recepten van lokale apotheken. Het was een bijzonder verhaal; het gaf context en een menselijk gezicht aan de dysfunctionerende manier waarop medicijnen werden voorgeschreven.

De Charlotte Gazette-Mail investeerde in verslaggeving, wierp licht op duistere zaakjes, en bleef dicht bij de plaatselijke gemeenschap. Desondanks kon de krant de eindjes van het moderne nieuwsbedrijf niet aan elkaar knopen. De parabel van de Gazette-Mail is dat er weinig verband bestaat tussen de kwaliteit van journalistiek, en het antwoord op de vraag of je veranderingen in de economische omgeving kunt overleven.

Geen plaatselijke media meer

De crisis in de regiojournalistiek in Amerika is niet beperkt tot kleine steden op het platteland. Ook grote steden hebben er last van - de rijkste en dichtst bevolkte steden op aarde kunnen geen plaatselijke media meer onderhouden. New York, Los Angeles en Washington DC, ze hebben allemaal vorig jaar belangrijke plaatselijke titels verloren. Vorige week was er een bijeenkomst in Columbia University om te praten over het verdwijnen van de plaatselijke journalistiek in New York City. (..) Een van de co-sponsors van de bijeenkomst was het stadsbestuur van New York. Daar maken ze zich zorgen dat er geen journalisten meer zijn bij rechtszaken, dat er weinig journalisten verschijnen bij de gemeenteraad, en dat het aantal journalisten dat vroeger verscheen op persconferenties dramatisch is gedaald.

Dit complete systeemfalen van de plaatselijke media is niet beperkt tot Amerikaanse steden, en het is ook niet alleen een probleem van ouderwetse krantenconcerns.

Na de dodelijke vuurzee in Grenfell Tower in mijn eigen stad Londen, speelden zich vorig jaar boze tonelen af toen bewoners zich keerden tegen journalisten en cameralieden van landelijke omroepen die verslag wilden doen. De tastbare woede van de bewoners was gericht tegen zowel de media als tegen de lokale autoriteiten. Hoe was het mogelijk dat de campagne van de plaatselijke gemeenschap tegen dat onveilige gebouw zo lang was genegeerd, tot het te laat was? De journalistiek was in haar opdracht tegenover de plaatselijke gemeenschap tekortgeschoten.

De tragedie bracht me ertoe om te onderzoeken wat er in de meest welvarende wijk van Londen met de lokale pers was gebeurd. Wat ik aantrof was een miniatuur van zich vaak in de mediawereld heeft afgespeeld. Lokale kranten zijn gefuseerd, de gemeente adverteerde liever via eigen publicaties, de fusie leidde tot ontslagen, en de digitale vernieuwing in de wijk bracht weliswaar kleine nieuwe nieuwssites, maar geen daarvan deed aan politieke verslaggeving of het vragen van verantwoording. (..)

Op Facebook kwamen gemeenschapsgroepen tot bloei, waar op forums het soort gesprekken werd gevoerd dat vroeger thuis hoorde bij plaatselijke nieuwsorganisaties. De mogelijkheden van onderop van de sociale media leveren burgermacht op, nuttige conversaties en contacten.

Openbaar archief

Goede journalistiek doet zijn werk, net als een goede regering, ook als er geen aandacht voor is. De routine en de rituelen van de plaatselijke berichtgeving leveren verhalen op die afzonderlijk niet zo bijzonder zijn, die weinig worden gelezen, en die zeker geen duizelingwekkend aantal lezers op het net zouden halen. Maar bij elkaar vormen ze een openbaar archief, en een lengtedoorsnede van de manier waarop de lokale politiek zich in de loop der tijd ontwikkelt.

Een belangrijke reden waarom het zo lang heeft geduurd voordat we wakker werden in deze crisis, is dat we hebben gedacht dat een oplossing dichtbij zou zijn, als we maar vernieuwden. Als kranten maar beter werden in hun eigen vak, of zich meer digitaal aanpasten, dan zouden er nieuwe en levenskrachtige nieuwsbedrijven opstaan in de plaats van de ouderwetse, weinig flexibele krantenbedrijven.

Het gebeurde bijna. Aanvankelijk, tijdens de eerste golf van lokale web-innovatie, was er goede hoop op een nieuw advertentiemodel. Maar gaandeweg het digitale avontuur werd het pad steiler. Miljardairs-eigenaren en megabedrijven deinsden terug voor de kosten van regionaal nieuws en trokken hun investeringen terug of sloten hun sites. De oprichters werkten zich een slag in de rondte om voor een grijpstuiver hun gemeenschapssites in de lucht te houden, terwijl nieuwe concurrenten met steun van bedrijven in hetzelfde advertentiewater visten. En Google en Facebook bleken veel en veel effectiever om plaatselijke adverteerders in contact te brengen met het publiek. (...)

Op dit moment beloont het business model van bedrijven in sociale media, zoekmachines en wereldomspannende webwinkels zoals Facebook, Google en Amazon in het Westen, en Tencent en Alibaba in China, het bijeenbrengen van grootschalig publiek tegen lage kosten. Alles is 'content' en alles wordt gedaan om aandachtvragende data te krijgen en het publiek met advertenties te bekogelen.

Mark Zuckerberg

Zelfs de technologiebedrijven zelf begrijpen dat zij ongewild bijdragen aan een crisis van de democratie. Mark Zuckerberg, de oprichter van Facebook, zei vorige week dat zijn toernee door Amerika van vorig jaar hem ervan heeft overtuigd dat plaatselijke journalistiek belangrijk is, en dat Facebook daarvan een prioriteit zal maken. (...)

In 2017 begon Facebook een journalistiek project dat kleinere plaatselijke nieuwsuitgevers zou moeten helpen. Plaatselijk nieuws, zei Zuckerberg, zal een voorkeursbehandeling krijgen in de Facebook News Feed. Maar er is een probleem: om goede journalistiek aan te moedigen en te belonen, moet die journalistiek er wel eerst zijn. Wat dat betreft is Google een stap verder gegaan, met de aankondiging van de steun voor een project dat Report for America heet, en dat duizend extra journalisten gedurende een jaar lang aan plaatselijke redacties wil verbinden, met name in gebieden van land die nu nauwelijks bediend worden. Google kondigde ook een handvat aan dat Bulletin heet, en dat mensen moet helpen plaatselijk nieuws zelf te melden en te taggen. (...)

We moeten blij zijn dat techbedrijven zich bekommeren om de problemen van de journalistiek, maar tegelijk moet duidelijk zijn dat dit niet het antwoord kan zijn. Tot nu toe is vooral sprake van oppervlakkige betrokkenheid, vaak met de bedoeling dat journalisten meer gebruik maken van hun tools en technologie. (...)

De ongemakkelijke relaties tussen dit soort machtssystemen en journalistiek blijkt het duidelijkst uit de marketing strategie van de bedrijven uit Silicon Valley. Wanneer de Facebook-strategie van 'move vast and break things' wordt toegepast op de ingedutte familiebedrijven klinkt dat opwindend en enthousiasmerend; wanneer er gevolgen zijn voor het wezen van de plaatselijke democratie, wordt de aantrekkingskracht aanzienlijk minder. Zelfs als de bedrijven erkennen dat hun rol op zijn minst deels destructief is geweest, dan kunnen ze zelf de problemen niet oplossen.

Zo komen we op de vraag wat wij - journalisten, beleidsmakers, burgers - zouden moeten doen. Vreemd genoeg voor een pessimist, ben ik nu optimistischer dan ik lange tijd ben geweest. Het einde van de advertentieverkoop als een betrouwbaar business model voor mediabedrijven is heel verhelderend. We moeten naar modellen die gericht zijn op betrokkenheid van burgers, naar lezersbijdragen en naar journalistiek die het algemeen belang wil dienen. Het is nu tijd om beslissingen te nemen en coalities te smeden die het fundament leggen voor een levensvatbare, betrokken plaatselijke journalistiek.

De markt gaat dit probleem niet oplossen; techbedrijven gaan het niet oplossen; de overheid gaat het niet oplossen. Ieder van ons heeft hier een taak, maar in laatste instantie is het aan journalisten en lokale gemeenschappen om dit probleem op te lossen. Maar om dit voor elkaar te krijgen, om een levensvatbare journalistieke omgeving te creëren, hebben we de juiste politieke koers en de juiste hulpbronnen nodig.

Opkomst non-profit nieuws

In Amerika zien we de snelle opkomst van non-profit nieuws, dat nog maar tien jaar geleden als onmogelijk van tafel werd geveegd. Projecten als ProPublica hebben hun doelen meer dan gehaald en openen nu met hulp van een golf van donaties plaatselijke kantoren. Nieuwsredacties die gebruik maken van datajournalisten, zoals de bijzondere Texas Tribune in Austin, krijgen vorm dankzij vele bijdragen en het uitbouwen van sterke banden rondom hun non-profit nieuwsmodel. Kleine startups als Berkeleyside in Californië hebben zelfs bewezen dat gemeenschapsnieuws winstgevend kan zijn.

De vijandigheid tegenover de huidige president is een goudader voor de pers, en de Trump bump heeft nieuwsorganisaties als The New York Times en The Washington Post geholpen om de nationale angst om te zetten in lezersopbrengst. Als deze trend doorzet, zouden deze nationale en internationale nieuwsorganisaties ook in plaatselijke journalistieke moeten herinvesteren. (...)

In het Verenigd Koninkrijk is het Bureau Local, een datanetwerk-project van het Bureau voor Onderzoeksjournalistiek, een inspirerend model. In dit model kunnen bestaande instellingen van onafhankelijk onderzoek zoals universiteiten en bibliotheken, helpen bij het opzetten van nieuwe data-banken voor zowel burgers als journalisten.

Nieuwe ideeën op het gebied van abonnementen en crowdfunding, zoals bij de Correspondent, of de zeer innovatieve Bristol Cable coöperatie in het Verenigd Koninkrijk, helpen ons te bedenken hoe we de media uit handen van de megabedrijven kunnen houden en binnen de gemeenschappen waar ze hun oorsprong vinden. Noodzaak blijkt in zekere mate de moeder van vernieuwing. (...)

In veel landen, waaronder Nederland, bestaat al een platform van waaruit we kunnen beginnen. Alle publieke media-organisaties in elk land in de wereld zouden zich om deze transformatie moeten bekommeren, als ze er al niet mee bezig zijn. De toekomst van publieke media en het lot van plaatselijke journalistiek zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Allebei zijn ze afhankelijk van strategieën en economische modellen die op de lezer zijn gericht. Burger-betrokkenheid, samenhang op zowel lokaal als nationaal niveau, en versterking van het democratische proces zijn top-prioriteit. De oude infrastructuur van publieke media voelt nu misschien aan als een blok aan het been, maar de opdracht blijft actueel. Precies zoals veel grote publieke media, zoals bijvoorbeeld de BBC, zijn geboren uit de verschrikkelijke ontwrichting en democratische bedreigingen van de vorige eeuw, die trouwens veel erger waren dan wat we nu meemaken, precies zo is nu het moment om onze toewijding te laten zien aan lokale en nationale media, en vooral aan verslaggeving. Het mag niet lijken op het eenrichtingsverkeer en topdown model van weleer, en het kan niet gedijen in een koker.

We hebben behoefte aan een alomvattende toewijding, we moeten nieuw gereedschap en nieuwe journalistieke platforms bouwen, we moeten structurele financiering voor verslaggeving bedenken, we moeten gebruik maken van de ontwikkelingen in de datajournalistiek, we moeten dingen automatiseren waarvan we moeilijk verslag kunnen doen en we moeten journalisten inzetten om verslag te doen van dingen die we niet makkelijk kunnen automatiseren.

Dit klinkt misschien goed op papier, maar waar moet het geld vandaan komen? Als de tech-industrie werkelijk zo bezorgd is over de toekomst van het nieuws als ze zegt te zijn, dan moet ze zich ook vastleggen op een financiële bijdrage die deze zorgen meer betekenis geeft. Natuurlijk mag het geld ook van gewone mensen komen, van belasting of van copyrights. Institutionele stabiliteit in journalistiek is net als bij andere instituties gebaseerd op voorspelbaarheid. Technologiebedrijven hebben hier een schuld te voldoen en ze zouden niet de mogelijkheid moeten krijgen om daarvan zelf de voorwaarden te dicteren.

Ik put moed uit het feit dat er voor het eerst in mijn carrière een serieus gesprek wordt gevoerd over de waarde van nieuws, over de vraag hoe we de journalistiek in stand houden, dat verder gaat dan ons eigen kringetje. En over ideeën die verder gaan dan het idee dat de commercie de enige manier is om betaalbare journalistiek te bedrijven. Voor plaatselijke journalistiek moeten we het momentum grijpen en serieuze investeringen doen in technologie, in instellingen en in mensen die ideeën hebben over een alternatieve toekomst voor een journalistiek die niet kopje onder gaat vanwege de bezuinigingen. We hebben omroepen en organisaties nodig die beschikken over voldoende geld om veranderingen te doorstaan en aanpassingsvermogen op te bouwen, als onderdeel van de gemeenschap en niet afhankelijk van marktkrachten.

Ik wil eindigen met een uitspraak van de befaamde overleden uitgever van de Charleston Gazette Ned Chilton III. 'Het kenmerk van onthullingsjournalistiek is volharding in de woede.'De woede hebben we te pakken. Nu de volharding nog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden